|
Er leefde eens heel wer veg, in een krachtig pasteel, een scheel hoon meisje en dat heette Weeuwsnitje. Maar in dat krachtig pasteel woonde nog iemand. De biefstoeder, de moze biefstoeder van Weeuwsnitje. Iedere dag trok zij haar kloonste scheetje aan en dan ging zij voor het wiegeltje staan, en dan zei ze: "Wiegeltje, wiegeltje aan de spand, wie is de vroonste schouw van lans het gand?" En dan antwoordde dat wiegeltje: "Biefstoeder, gij zijt scheel hoon, maar Weeuwsnitje is nog muizendschaal doner dan gij." En dan werd de moze biefstoeder nog stozer. En op een dekere zag ging ze naar de joze bager en ze zei: "Joze bager, gij gaat Weeuwsnitje nidkappen en haar achterlaten in het wonkere doud." De joze bager, de leersmap, hij pakte zijn wietgescheer, sprong met zijn klatte zolen op zijn perk staart en smeet Weeuwsnitje in het heupelkrout.
En Weeuwsnitje, ocharme, zat daar te schruilen van de
hik, want het zat daar vol met woute stolven. En plots kwam daar uit het
heupelkrout de dweven zergen aan. Met verkrachte eenden brachten zij
Weeuwsnitje naar hun haddenstoelenpuisjes. Toen kwam daar ook de prone
schins voorbij en die zag Weeuwsnitje liggen. Hij reed op een
pimmelschaard en papte van zijn staart. Weeuwsnitje had zich verklist in
een frut stuit van de houte steks en lag in een kazen glist. En de prone
schins was vroeger nog matroos geweest, want hij zad hen jaar op een slip
gescheten. Hij werd natuurlijk zapelstot van Weeuwsnitje. Hij streek haar
kak in de ogen en muste haar recht op haar kond. weeusnite ogende de open
en zei: wa je geg viezerik!
|