|
Het verhaal van
Duimelientje
Er was eens...
Aan de rand van
een groot bos woonde in een vervallen huisje eens een vrouw, die geen
kinderen had. Ze droomde er van een dochtertje te hebben, maar met het
verstrijken van de tijd werden haar dromen geen waarheid. Toen kreeg ze
een idee, ze zou een bezoek brengen aan de goede heks van de wensput. De
heks hoorde haar verhaal aan, en omdat het een goede heks was gaf ze de
vrouw een magische gerstekorrel. De vrouw plantte de gerstkorrel
onmiddellijk bij haar thuiskomst, en al meteen de volgende dag was
de graankorrel in een lieflijke bloem ontsproten. Intens blij gaf de vrouw
een kus op de half gesloten bloemblaadjes, en als door toverkracht opende
de magische bloem zich in
volle bloesem. In de bloem zat een klein meisje, niet groter dan je duim,
en daarom noemde de vrouw haar daarom Duimelientje. Om in te slapen maakte de vrouw een
bedje voor haar van een dop van een walnoot, van viooltjesblaadjes maakte
ze een matras, en van rozenblaadjes een dekentje.
Overdag speelde
ze met haar bootje van een tulpenblad, drijvend in een schaal met water.
Ze gebruikte twee paardeharen als roeispaan, Duimelientje voer rond op
haar kleine binnenzee, zingend en zingend met een zoete lieve stem. Toen
op een nacht, toen ze diep in slaap was in haar bedje van een
walnootschaal, hupte er een enorme kikvors door een gat in het raam. De
kikvors keek neer op Duimelientje, en zei tegen zichzelf "Hoe mooi is
ze! Ze zou een perfecte bruid zijn voor mijn lieve zoon!"
Ze nam Duimelientje op, met walnootschaal en al, en hopte de tuin in en
niemand die haar zag gaan.
Terug bij de
vijver, was haar dikke lelijke zoon, die altijd precies deed wat zijn
moeder zei, was blij met zijn moeders keuze. Maar moeder kikvors was bang
dat haar lieflijke gevangene zou ontsnappen, dus droeg ze de doodsbange
Duimelientje naar een grote waterlelie in het midden van de vijver..
"Ze kan ons hier niet ontsnappen," zei ze tegen haar zoon.
"En we hebben alle tijd om een nieuw thuis voor jou en je bruid te
maken."
Duimelientje werd alleen gelaten met haar tranende ogen van verdriet.
Ze voelde zich
wanhopig. Ze wist dat ze niet in staat was het noodlot dat haar wachtte te
ontsnappen met de twee vreselijke dikke kikvorsen. Alles dat ze kon doen
was haar ogen rood huilen. Hoewel, een
of twee witvissen die genoten van de schaduw onder het lelieblad,
hadden de twee kikvorsen horen praten en hadden ook de kleine Duimelientje
bitter horen snikken. Ze besloten er samen iets aan te gaan doen, dus ze
knabbelden de steel van het lelyblad door en lieten
het wegdrijven op de stroom. Een vlinder kreeg een goed idee en zei
"gooi me het eind van je riem toe! Ik zal je helpen wat sneller
vooruit te komen!" Dankbaar deed Duimelientje wat er voorgesteld was
en haar lelyblad dreef al snel weg bij het gedeelte van de vijver waar de
kikvorsen woonden.
Maar andere gevaren lagen er in het verschiet! Een grote kever greep
Duimelientje met zijn sterke poten en nam haar mee naar zijn huis in de
top van een dicht bebladerde boom. "Is ze niet bekoorlijk?" zei
hij tegen zijn vrienden. Maar zijn vrienden wezen hem er op dat
Duimelientje teveel anders was dan hij, dus de kever nam haar weer op en
liet haar vrij en zette haar onder de boom in het gras. Het was zomer, en
Duimelientje dwaalde in alle eenzaamheid rond tussen de bloemen en het
hoge gras. Ze at stuifmeel als maaltijd en dronk douw als ze dorst had.
Toen brak het
regenseizoen aan en werd het onplezierig weer. Onze arme Duimelientje
ervoer het als moeilijk om aan eten en onderdak te komen, en toen de
winter inviel, leed ze onder de kou en leed vreselijke kwellingen van
honger. Op een dag, toen ze hulpeloos door de bevroren weiden liep,
ontmoette ze een spin die beloofde haar te helpen.
Hij nam haar mee naar en holle boom en sloot de toegang af met een stevig
spinneweb. Toen bracht hij haar wat gedroogde kastanjes en riep zijn
vrienden bijeen om haar schoonheid te bewonderen. Maar net als de kevers
probeerden alle andere spinnen hem over te halen haar te laten gaan omdat
ze anders was dan de spinnen. Diep bedroeft en huilend omdat ze er zeker
van was dat iemand haar mooi vond verliet onze Duimelientje het huisje van
de spin. Toen ze doelloos ronddwaalde, huiverend van de honger en de kou,
zag ze opeens een stevig gebouwd klein huisje, gemaakt van twijgjes en
dode bladeren.
Hoopvol klopte ze
op de deur en die werd geopend door een veldmuis. "Wat doe je buiten
in dit smerige weer?" vroeg hij. "Kom
binnen en warm jezelf."
Comfortabel en behaaglijk bleek de veldmuis goed voorzien te zijn
van voedsel.
Als tegenprestatie voor haar verblijf deed Duimelientje het huishoudelijke
werk en vertelde ze de veldmuis verhaaltjes. Op een dag zei de velmuis dat
een vriend hem zou komen bezoeken.. "Hij is een erg rijke mol, en hij
heeft een mooie huis. Hij draagt een prachtige zwarte vacht, maar hij is
ontzettend bijziend. Hij heeft dringend gezelschap nodig en hij wil graag
met je trouwen!"
Duimelientje vond dit niet prettig. Hoe dan ook, toen de mol kwam, zong ze
lieflijke liedjes voor hem en de mol werd tot over zijn oren verliefd op
haar. De mol nodigde Duimelientje en de veldmuis uit hem een bezoek te
brengen, maar . . . tot hun verassing en ontzetting liepen ze een
boerenzwaluw in de tunnel tegen het lijf. Die
leek dood te zijn. De Mol stootte hem aan met zijn pootje en zei:
"Dat zal hem leren! Hij zou onder de grondmoeten gaan wonen inplaats
van de hele zomer rond te vliegen!"
Duimelientje was zo geschokt door die wrede woorden dat ze later toen het
donker was ongezien de mol zijn tunnel uit kroop. En elke dag ging onze
kleine Duimelientje de zwaluw verzorgen en verplegen en zocht voedsel voor
hem. In d tussentijd vertelde de zwaluw Duimelientje zijn verhaal. Zich
bezeerd hebbend aan een scherpe doorn was het hem onmogelijk nog te
vliegen en zijn kameraden te volgen op de trektocht naar een warmer
klimaat. "Het I buitengewoon lief van je om me te verzorgen,"
zei hij tegen Duimelientje. Maar in de zomer vloog de weer genezen zwaluw
uit en bood aan haar met zich mee te nemen. Gedurende de hele zomer moest
Duimelientje haar best doen om niet met de mol te hoeven trouwen, ze moest
er niet aan denken haar leven voor altijd onder de grond te moeten
slijten. Op een avond hoorde
Duimelientje een bekend lied. "De winter is weer onderweg en ik ga
naar warmere streken. Kom
met me mee!"
Duimelientje klom
snel in de pootjes van haar zwaluwvriendje, en de vogel steeg op in de
lucht, ze vlogen over vlaktes en heuvels en kwamen aan in een land van
bloemen.
De zwaluw zette Duimelientje voorzichtig op de grond en zagen onder een
bloem een klein witgevleugeld elfje: Hij was de koning van de
bloemen-elfjes. Hij vroeg haar onmiddellijk ten huwelijk en Duimelientje
zei geestdriftig "JA!", en haar kleine vleugels spreidend werd
zij de bloemen-elfjes koningin!
|