|
De
Prinses die Prins werd.
Lang
geleden leefde er in het Tweestromenland van de rivier de Euffraat in de
stadsstaat Bagdad een
koning met de naam Sal-ad-din, en deze koning bezat een harem van honderd
zeer mooie en jonge vrouwen, die hij stuk voor stuk zorgvuldig gekozen had
uit een aanbod van duizenden en duizenden meisjes van topkwaliteit. Deze
meisjes zouden stuk voor stuk een harem van de hoogste kwaliteit tot
sieraad strekken.
Maar,
het wrede noodlot wilde, dat geen van deze meisjes hem een kind, laat
staan een zoon baarde, hetgeen hem zeer verdrietig stemde, daar hij reeds
oud en gebogen begon te worden. Hoewel hij bij het uitoefenen van de
bijslaap dagelijks van meisje wisselde en bij het honderdste meisje
aangekomen weer van voor af aan begon, zodat alle meisjes meermalen in
aanmerking zouden kunnen komen hem nageslacht te bezorgen, kon geen van
hen, ook na vele pogingen, hem een blijde boodschap bezorgen.
Tenslotte
echter geschiedde het, zoals beslist door de wil van Allah de Almachtige,
dat de jongste van
zijn vrouwen zwanger werd, en na negen maanden een meisje, als naam werd
haar gegeven Samira, ter wereld bracht van een waarlijk feeërieke
schoonheid. Enkele van de opvallende kenmerken echter van het nieuw
geboren kindje was, dat ze merkwaardigerwijs in het geheel niet op haar
vader, de koning leek. Uiteraard werd hierover aan het hof danig
gespeculeerd.
Had de koning bruine ogen, de baby had groene, had de koning een
geprononceerde neus, de baby had een klein wipneusje, en ook, in
tegenstelling met die van de koning, een opvallend lichte huid. Allemaal
kenmerken die de koning ontbraken!
Maar de moeder echter, die bang was dat de koning, wanneer deze zou
vernemen dat zijn enige nakomeling een meisje was en geen jongen, in zijn
teleurstelling moeder en kind om zou kunnen laten brengen, liet bekend
maken dat zij een zoon, genaamd Samir, ter wereld had gebracht, en de
gelijkenis van de baby met de hoofdman van des koning`s hofdienaren, daar
had de koning geheel geen erg in.
Daar echter de moeder van de baby zelf de dochter was van een van de
hofastrologen, wist zij met haar vader`s medewerking de waarheid zo te
manipuleren dat de overige hofastrologen en sterrenwichelaars konden
worden bewogen, de koning te doen geloven dat hij het kind niet voor diens
tiende levensjaar te mogen aan schouwen.
Toen
nu het meisje, dat tot steeds groter wordende innerlijke en uiterlijke
perfectie opgroeide, de leeftijd van tien jaar bereikte waarop haar vader
haar zou mogen aanschouwen, instrueerde haar moeder haar, hoe ze zich als
jongen moest gedragen, en aangezien het jonge meisje ondanks haar prille
leeftijd zeer handig en zeer intelligent was, slaagde ze er zonder moeite
in, iedereen in het paleis te doen geloven dat zij een jongen was. De
koning verheugde zich in niet geringe mate over de opbloeiende schoonheid
van zijn "zoon", en had de grootste schik, wanneer hij hem
kattekwaad uit zag halen zoals het met kamelenboter insmeren van de zetel
van de eerste minister, of de slavinnen in hun smakelijke billen knijpen,
(want zo had zijn/haar moeder hem geïnstrueerd, jongens doen immers dat
soort dingen).
En
toen zijn zoon de leeftijd van vijftien jaar bereikt had, besloot de
koning dat het ogenblik was aangebroken om hem te laten trouwen met Farida,
de beeldschone dochter van een collega-koning van het naburige en
bevriende land, met wie hij, Sal-ad-din
de koning, hieromtrent reeds lang geleden afspraken had gemaakt.
Hij riep nu zijn zoon bij zich en sprak tot hem: "Zoon, er zijn
momenten in het leven van een man, dat zijn leven een belangrijke wending
neemt. Zo is voor jou de tijd aangebroken in het huwelijk te treden.
De
koning van ons buurland heeft een dochter, genaamd Farida, een lief en
mooi meisje, en dit meisje hebben we voor jou uitgezocht als bruid."
Samira was diep geschokt door de ernst van de problemen die gingen komen
en wist even niets te zeggen en keek zwijgend voor zich uit.
Toen
dan het moment van vertrek naar het land van zijn aanstaande bruid was
aangebroken liet de koning zijn zoon een schitterend gewaad aantrekken,
plaatse hem naast zich in de gouden palankijn, die op de rug van de
grootste en mooiste olifant uit zijn bezit was geplaatst, en leidde de
schitterende optocht naar het land van zijn bruid.
De gewaande prins werd door dit alles, zoals men allicht zal begrijpen,
danig in verlegenheid gebracht en meer dan eens dacht hij bij zichzelf
" Wat moet ik met die prinses beginnen?" en dan weer "Hoe
moet dit aflopen?"
Koning Sal-ad-din die de nervositeit van zijn zoon wel zag, vroeg dan
"Jongen, wat is er toch met je?"
"Niets, vader", zei de prins dan.
'En toch heb je iets!" Zei de koning dan.
"Nee," sprak de prins,"dat is het hem nou juist, ik heb
niets."
"Maar wat mankeert je dan?" vroeg de koning.
"Dat wat ik niet heb" was dan het antwoord.
"Je
spreekt in raadselen" zei de koning. "Als je het mij vraagt maak
je je gewoon zenuwachtig, maar geloof me, het gaat allemaal vanzelf, Allah
de Almachtige heeft man en vrouw immers voor elkaar geschapen, heus, de
liefde is de eenvoudigste zaak van de wereld, en als je daar eenmaal van
geproefd hebt, weet je niet meer van ophouden."
"Ja, vader, man en vrouw wel, ja…" sprak de prins, die niet
wist wat ze anders moest zeggen.
"Een mooie bruid, deze Farida", besloot de koning, "en van
wat ik gehoord heb een wonder van schoonheid en intelligentie, en heus, de
liefde is als een spannende roman, wanneer je daar goed in bent vergeet je
de hele wereld om je heen!"
"Jawel, maar hoe kom ik daar dan in?" dacht de prins bij
zichzelf, en beet zichzelf op de lippen, niet wetende of dit door haar
verwarring werd veroorzaakt om niet in de lach te schieten of om niet in
tranen uit te barsten.
En
toen de uittocht van de bruidsstoet naar het andere land en de andere stad
eenmaal begonnen was bereikte de stoet na een paar dagreizen de woonplaats
en het paleis van de bruid, waarna de bruiloft zonder verdere uitstel werd
voltrokken.
De
kadi kwam, de bruid en bruidegom ontmoetten elkaar voor het eerst en de
bruidegom nam de bruid bij haar hand en keek naar de bruid, en vond haar
een vertederend jong meisje. Vast niet ouder dan zo`n zestien jaar,
gekleed in de voor een bruiloft traditionele gewaden, een wit tulen half
doorschijnend tuniek, waardoor de rozenknopjes van haar kleine maar
delicate borstjes lieflijk doorheen schemerden, en een wijde witte
harembroek, eveneens van doorschijnend tule, waardoor nu en dan aan
de achterkant haar slanke jongemeisjesbillen en aan de voorkant een smalle
donkere waas zichtbaar waren.
Na
het uitspreken van de huwelijksformule van de kadi gaven de kersverse
bruid en de nieuwbakken bruidegom elkaar het jawoord en ze waren nu man en
vrouw, echtgenoot en echtgenote, en met grote luister werd na de
inzegening het huwelijksfeest gevierd. Vanwege de feestelijkheden behoefde
de burgers van het land op algemeen decreet van de koning die maand geen
belasting te betalen. Vanwege hetzelfde decreet werden lijfstraffen werden
opgeschort, gevangenen en politieke dissidenten vrijgelaten en burgerlijke
geschillen en ruzies bijgelegd.
Toen de bruid en de bruidegom na afloop van alle feestelijkheden eindelijk
in hun private vertrekken met elkaar alleen waren, zat de bruid, gekleed
in haar huwelijkskleed, de ogen neergeslagen, verlegen voor zich uit te
kijken en vermeed zorgvuldig Samir`s blik.
Op
een of andere manier voelde Samira/Samir wel dat er wat er scheef zat,
ging op de rand van het ligbed zitten en gebood zijn bruid naast hem
plaats te nemen.
Hij nam
haar handen in de zijne, keek haar aandachtig in haar groene ogen en
sprak: Lieve Farida, ik hoop dat ik je niet schok, maar veel dingen zijn
niet wat ze lijken te zijn. Farida keek Samira/Samir aan en zei:
"Alles wat je wenst, mijn echtgenoot…"
"Dat is het juist, ik heb niet alles!" sprak Samira/Samir.
Farida herhaalde, zoals een goede echtgenote in dat tijdsgewricht betaamt,
"Alles wat je wenst, mijn echtgenoot…"
Met
een zucht liet Samira zich achterover, ruggelings en met gesloten ogen op
het divanbed zakken. Farida, die goed geluisterd had naar de wijze
raadgevingen van haar moeder en de slavinnen met hun vrijmoedige praatjes,
liet zich eveneens achterover zakken en ging op Samira`s uitgestrekte arm
liggen en sloot eveneens de ogen. Na zo enige minuten gelegen te hebben
hervond Farida haar moed en schudde haar meisjesschuchterheid van zich af
en streelde liefkozend Samira/Samir`s arm, en gaf daarmee blijk van haar
meisjesachtige verlangen. Samira loosde een diepe zucht van
berusting, hetwelk door Farida werd uitgelegd als een zucht van genot, en
deze besloot verder te gaan.
Samira/Samir
onderbrak echter haar verleidingen en sprak: “Vrouw, het lijkt mij een
uitstekend idee om eerst maar eens op huwelijksreis te gaan”
Farida keek Samira/Samir met ogen vol geluk aan en zei: "Alles wat je wenst, mijn
echtgenoot…"
Hij/zij liet een karavaan samenstellen en op een goede dag vertrok het
gezelschap.
Nu
gebeurde het op een nacht, nadat het reisgezelschap de tenten had
opgeslagen aan de rand van een donker woud, dat Samira/Samir haar tent
verliet om in het struikgewas toe te geven aan een bepaalde behoefte, waar
zelfs prinsen en prinsessen onderhorig aan zijn en te voet heen gaan.
Toen ze
eenmaal een geschikte plaats had gevonden en aan haar drang had voldaan,
keek ze op en zag van aangezicht tot aangezicht, dat een
bijzonder knappe en jonge Djinnie, die duidelijk de bewaker was van
dit woud was, die kennelijk toe had staan kijken hoe Samira/Samir haar
aandrang verlicht had.
En de
Djinnie, kennelijk verblind door de schoonheid van het meisje, groette
haar beleefd en informeerde naar wie ze was en wat het doel was van haar
reis.
En
daar zijn vriendelijk gedrag en zijn knappe uiterlijk haar vertrouwen
inboezemde, vertelde ze hem haar geschiedenis, en ze verzweeg niet de
moeilijkheden die ze voorzag, wanneer ze zich eenmaal in de private
vertrekken en het huwelijksbed van de bruid zou bevinden. Tegen een
Djinnie behoef je geen geheimen te hebben, die houden alle geheime
informatie voor zich.
De Djinnie, diep geroerd en de verlegenheid waarin onze prinses zich
bevond, bewogen door haar verhaal, boog het hoofd en dacht een ogenblik
na.
Daarop zei hij "Wel, misschien kunnen we toch nog wel een oplossing
voor je probleem bedenken."
"Werkelijk?" sprak de prinses hoopvol.
"Kijk" zei de Djinnie, "we ruilen gewoon een tijdje van
geslacht! Jij neemt de mijne en ik neem een tijdje de jouwe."
'Kan dat dan zomaar?"
"Natuurlijk," sprak de Djinnie, "gewoon een kwestie van het
omruilen ven een Dinges… Maar dat begrijpen mensen waarschijnlijk
niet…"
"Doet het pijn?" wilde Samira/Samir weten.
"Welnee, met de toverformule die ik gebruik is het gewoon net zo
makkelijk als het aantrekken of uittrekken van een schoen. Alleen, begrijp
wel, dat het een tijdelijke ruil is en dat ik mijn eigendom na afloop in
goede staat en onbeschadigd terug wil hebben!""
Dit beloofde de prinses en nadat ze gelijk overgestoken waren, nam ze met
een hart vol dankbaarheid afscheid van de Djinnie en liep enigszins
wijdbeens - want
zij moest nog erg wennen aan haar nieuwe attributen - naar haar tent terug.
En de prinses, die nu daadwerkelijk een prins was, wist zich van het
instrument dat ze van de Djinnie geleend had, zodanig goed te bedienen dat
al dezelfde nacht zijn bruid zwanger was.
Negen maanden later bracht zijn jonge echtgenote dan ook een alleraardigste
zoon ter wereld, en toen ze
weer van haar kraambed hersteld was, zei haar echtgenoot "Vrouwtje,
het is nu langzaamaan tijd om naar mijn eigen land te vertrekken, opdat
mijn en verdere aanverwante familie kennis met je kan maken.
'Goed, zoals je wenst, mijn echtgenoot", zei de jonge vrouw, en nadat men de nodige voorbereidingen
had getroffen en afscheid had genomen had van haar ouders begaven ze zich
op weg.
Nu was de werkelijke reden dat de Samira/Samir naar zijn land terug wilde
keren echter deze, dat ze haar belofte aan de Djinnie in wilde lossen en
hem het geleende terug te geven.
Toen
de stoet dan ook het bos waar de Djinnie woonde bereikt had, liet hij de
karavaan stil houden en de tenten opslaan en liep het bos in naar de plek
waar hij de Djinnie ontmoet had en ging op zoek (naar de Djinnie.)
En hij vond hem ook inderdaad op dezelfde plaats terug, maar met een bleek
en vermoeid gezicht, terwijl zijn buik flink gezwollen was waardoor men
hem makkelijk voor een zwangere vrouw zou kunnen hebben. "
Hallo, daar ben ik weer" zei de prins.
"Is alles goed gegaan?"
'En of!" zei de prins. "In feite is het zo goed gegaan, heb ik
er zoveel plezier van gehad, dat het me spijt dat ik naar mijn vorige
staat terug moet keren. Maar, belofte maakt schuld", en hij maakte
zich gereed om het geleende aan de Djinnie terug te overhandigen. "Je
zult er geen spijt van hebben, want zoals je kunt zien is de plant van je
edelmoedigheid onder onze zorgen beter en veel mooier geworden dan
tevoren, mijn vrouw en ik hebben er dan ook op toegezien dat hij veel
warmte, aandacht en vochtigheid kreeg!"
"Ja, dat is heel mooi" zei de Djinnie, "En, heeft hij ook
vrucht gedragen?"
"Een wolk van een zoon!" zei de prins trots.
'Wel",
sprak de Djinnie, je mag hem houden, ik hoef hem niet terug te hebben. Je
mag hem wel houden."
"Hoe bedoel je?" zei de prins. "Wil je liever vrouw
blijven?"
"Ik moet wel" sprak de Djinnie. "Zie je, ik heb lang op je
gewacht, en heb het pand, dat je me had toevertrouwd, zorgvuldig behoed om
het je weer in dezelfde goede staat van maagdelijkheid terug te kunnen
geven als waarin ik het van je heb ontvangen. Maar op een dag kwam er een
OpperDjinnie, die de inspecteur van deze gebieden is, mij tijdens zijn
inspectieronde opzoeken en merkte aan mijn geur dat er iets aan mij
veranderd was.
En toen hij zag, dat ik een vrouw geworden was, werden hij hevig verliefd
op me, en ik ook op hem.
En onze liefde had het normale verloop, met het gevolg dat ik nu in de
zevende maand van mijn zwangerschap ben, en dat is de reden dat ik mijn
geslacht niet meer terug kan nemen, want als ik als man een kind ter
wereld zou moeten brengen zouden noch ik, noch het kind dit
overleven."
En
zo geschiedde het, dat een prinses door Allah`s goedertierenheid, de prinses
Samira in Samir, een prins veranderde, en ze kregen nog vele nakomelingen
en leefden nog lang en gelukkig…
|