|
Noereddin en
Samira
Koning Haroen Al
Raschid had over Baszrah een sultan aangesteld die Sultan Mohammed Ben
Soeleiman heette en als een wijs en mild man bekend stond. Hij had twee
viziers, de ene heette Vadhieddin., zoon van Sjakan en de andere Mohin,
zoon van Sami. Vadhleddin was één van de vrijgevigste mannen van zijn
tijd. Hij was goedmoedig en van reine levenswandel en hij wist zich overal
vrienden te maken. Mohin daarentegen was gierig, smerig en boosaardig. Hij
zocht het kwade te doen en nooit had hij voor iemand een woord van lof.
Hij was listiger dan een vos en roofzuchtiger dan een straathond. Zozeer
als Vadhleddin geliefd was, werd Mohin gehaat.
Op een dag dat
sultan Mohammed op zijn troon zat en omringd werd door zijn rijksgroten,
zei hij tot Vadhieddin "Ik zou een meisje willen bezitten dat aan
lichaamsschoonheid, zowel als aan verstand en deugd, alle andere vrouwen
overtreft." Een van zijn hovelingen zei "Zo iemand zal wel niet
voor minder dan tienduizend dinariën te vinden zijn." De sultan liet
aanstonds zijn schatmeester komen en beval hem "Geef Vadhleddin
tienduizend dinariën en laat hem zo'n meisje zoeken." De vizier
begaf zich iedere dag naar de markt en droeg alle makelaars op de mooiste
en meest beschaafde slavin voor hem op te zoeken en geen meisje te
verkopen dat hij niet vooraf gezien had. Zij voldeden aan zijn wens, maar
op elke slavin had hij iets aan te merken.
Eens, terwijl hij
op weg was naar het paleis, vatte een makelaar de stijgbeugel van zijn
paard en zei tot hem "0, edele vizier, wat wij zo lang op hoog bevel
van u gezocht hebben, heb ik thans gevonden!" De vizier antwoordde
"Breng haar bij mij." De makelaar ging heen en kwam terug met
een slavin, die een slanke gestalte had, prachtig gevormde borsten,
waarvan de tepels door haar dunne gewaad heen zichtbaar waren, fonkelende
zwarte ogen, een perzikhuid, billen die het water in een man zijn mond
deden lopen en een zwoele, melodieuze stem. Als ze je antwoord gaf op een
vraag deed haar stem onmiddellijk hevige lust in je opkomen. Zodra de
vizier haar zag, wist hij dat hij gevonden had wat hij zocht en hij vroeg
de makelaar naar de prijs. De man antwoordde: "Heer, de bezitter
verlangt tienduizend dinariën en heeft gezworen dat zij hem dit bedrag
alleen reeds gekost heeft aan jonge haantjes en dure wijnen en daarbij
rekent hij niet eens het bedrag dat hij heeft besteed aan haar opvoeding.
Zij kan schoonschrijven en welluidend uit de Koran lezen. Zij kent de
Arabische letterkunde, is vertrouwd met elementaire heelkunde, de
grondbeginselen van wiskunde en bespeelt verschillende muziek-
instrumenten."
De vizier liet hierop de koopman roepen die haar eigenaar was. Het bleek
een stok- oude Pers te zijn, die op een oude adelaar leek, of op een muur
die op invallen staat. De vizier vroeg hem of hij de slavin voor
tienduizend dinariën aan sultan Mohammed wilde verkopen. De Pers
antwoordde "Als zij voor de sultan bestemd is, zou het mijn plicht
zijn haar als een geschenk, aan de sultan te geven!"
De vizier echter liet dadelijk het geld halen en aan de koopman
uitbetalen.
De makelaar die in zijn schik was, lichtte de koop nog nader toe.
"Heer" zei hij, "nu ik hoor dat zij voor de sultan bestemd
is, geef ik u de raad haar niet onmiddellijk bij hem te brengen. Zij is
nog wat vermoeid van de reis, laat haar daarom eerst veertien dagen
bijkomen in het paleis en dan zult u bij de sultan de grootste eer met
haar inleggen."
Dit leek de vizier een goed idee. Hij gaf haar een kamer in zijn eigen
paleis en zorgde er voor dat zij iedere dag jonge haantjes en
voortreffelijke wijnen kreeg en dat het haar ook verder aan niets ontbrak.
Nu had de vizier
een zoon die Noereddin heette en één van de mooiste jongelingen van zijn
tijd was. Hij was tevens een doordraaier en geen meisje was veilig voor
zijn verleidingskunsten. Vele meisjes had hij al weten te verleiden en hun
kersje te ontheiligen!
De vizier hield het meisje voor zijn zoon verborgen, en hij waarschuwde
haar dat ze zich voor Noereddin in acht moest nemen, wanneer ze hem
toevallig mocht ontmoeten en zij beloofde hem gehoorzaamheid. Het noodlot
wilde echter dat Noereddin op een dag zijn moeder zocht en haar niet vond
omdat zij in het bad was. Hij zocht in de andere vertrekken en kwam
terecht bij de kamer waarin de schone Perzische zich bevond.
Twee slavinnen
hielden de wacht bij de deur en verhinderden Noereddin om binnen te gaan.
De Perzische, die Samira heette, hoorde zijn stem en daar zij reeds veel
over hem vernomen had, werd zij nieuwsgierig en wilde zij wel eens weten
hoe hij er uit zag. Zij opende de deur op een kier en een enkele blik op
de jongeling was voldoende om zich haar zinnen te doen ontbranden. Ook
zijn noodlot was beslist toen hij haar zag, hij werd op slag verliefd op
haar. Met een brutale snauw en een grauw joeg hij de beide slavinnen weg,
die angstig de vlucht namen en daarna trad hij de kamer van Samira binnen.
Listig vroeg hij haar "Ben jij Samira, de slavin die mijn vader voor
mij gekocht heeft?"
Even listig antwoordde zij "Bij Allah, Heer, Ja, dat ben ik!"
Dronken van verrukking en lust sloeg hij de armen om haar heen en voelde
hoe haar soepele lichaam zich tegen het zijne vlijde en zij beantwoordde
zijn omhelzing met gloeiende kussen. Hij wierp haar zachtjes op de divan
en zij gingen door met elkaar hartstochtelijk te kussen. Zij gaf zich
geheel aan hem en de twee smaakten de zaligheden van hun vurigste liefde.
De beide slavinnetjes waren intussen naar Noereddin's moeder gevlucht en
zeiden "0 Meesteres, uw
zoon heeft ons van onze wachtpost weggejaagd en is de kamer van Samira
binnengedrongen. Hij viel haar meteen om de hals, maar wat er verder
gebeurd is weten wij niet, maar kunnen dat wel raden."
Noereddin's moeder ijlde verschrikt naar de kamer van de mooie Perzische
en vroeg haar ontsteld wat er was voorgevallen. Zij antwoordde "Ik
zat hier wat uit te rusten, o meesteres, toen er plotseling een mooie
jongeling binnenkwam die mij vroeg: Ben jij het meisje dat mijn vader voor
mij gekocht heeft? Ik antwoordde ontkennend en zei, dat ik voor de sultan
bestemd was. Dat weet ik, zei hij lachend, dat was mijn vader eerst van
plan, maar hij is van gedachten veranderd en heeft je aan mij geschonken.
En toen, o gebiedster, heb ik zijn bevelen gewillig gehoorzaamd!"
De vrouw van de vizier vroeg verder "Wat heeft hij met je
gedaan?" en Samira antwoordde "Hij omarmde mij en ik heb mij
helemaal aan hem gegeven. Tot drie- maal toe heft hij mij wild genomen en
ben ik van hem geweest."
Daarop begon de vrouw van de vizier te wenen en de slavinnen huilden met
haar mee, want zij vreesden de toorn van hun meester, die zijn zoon wel
eens ernstig zou kunnen straffen. Terwijl zij zo aan het jammeren waren
kwam Vadhleddin thuis, hoorde hij de vrouwen wenen en vroeg wat er aan de
hand was. Zijn vrouw smeekte hem bij de profeet haar rustig te willen
aanhoren.
Hij zwoer haar dit te zullen doen en toen vertelde zij hem dat Noereddin
Samira van haar maagdelijkheid had beroofd. Noereddin had al heel wat
uitgehaald wat niet door de beugel kon, maar toch stond Vadhleddin
verstomd toen hij dit hoorde. Hij scheurde zijn kleren, rukte zich de
haren uit en gooide van woede zijn tulband in een hoek. Zijn vrouw
trachtte hem te troosten en zei "Trek het je niet zo aan, ik zal een
paar van mijn juwelen verkopen en je die tienduizend dinariën wel
terugbetalen!"
Vadhleddin antwoordde echter "Dacht je dat het mij alleen om dat geld
ging? Het gaat om mijn eed van gehoorzaamheid aan de sultan. Mijn leven
staat hiermee op het spel. Als mijn doodsvijand Mohin dit hoort, zal hij
naar de sultan lopen en tot hem zeggen "U hebt het altijd over de
toewijding en trouw van Vadhleddin, maar hij heeft tienduizend dinariën
van u ontvangen om een slavin te kopen. Die heeft hij ook gekocht en een
mooiere bestaat er niet in de wereld, maar toen zij hem beviel heeft hij
tegen zijn zoon gezegd. Neem jij haar maar, je verdient haar meer dan de
sultan. Daarop zal de sultan een onderzoek instellen en haar laten
ondervragen en zij zal niet durven liegen. Mohin zal dan tot de sultan
zeggen: Ziet u wel wat voor een goede raadsman ik ben? Helaas is het
bekend, dat u die verrader Vadhleddin altijd voortrekt boven mij. -De
sultan zal anders over mij gaan denken en ik zal mijn leven en mijn
goederen verliezen! "
Zijn vrouw gaf hem daarop de raad "Geloof mij, spreek met niemand
over deze zaak en vertrouw op Allah. Dan zal er niets gebeuren wat niet
gebeuren moet!" Deze woorden kalmeerden de vizier en de vrede keerde
weer een weinig in zijn gemoed terug, maar hij bleef toch erg boos op zijn
zoon. Noereddin ontweek zijn vader een maand lang, door bij Samira op haar
kamer te verblijven en van elkaars liefde te proeven zovaak hen dit zinde.
Noereddin durfde hem trouwens zelf niet onder de ogen te komen!
Toen zei de viziersvrouw tegen haar gemaal "Wil je nu behalve die
slavin ook nog je zoon verliezen? Als je zo onverzoenlijk blijft gaat hij
er op een dag met haar vandoor."
"Wat moet ik er dan aan doen?" vroeg de vizier.
"Wacht vanavond op hem wanneer hij thuiskomt," zei z'n vrouw.
"Grijp hem dan aan en doe of je hem wilt doden. Dan zal ik
tussenbeide komen en je verzoent je met hem. Bovendien geef je hem de
slavin, want hij heeft haar lief. Ik zal je het geld dat zij gekost heeft
wel vergoeden."
Vadhleddin ging op dit voorstel in en toen zijn zoon tegen middernacht het
huis binnensloop, wierp hij zich op hem en zette hem zijn dolk op de keel.
Zijn vrouw kwam snel tussenbeide en riep uit: "Hou op, wat wil je
doen?"
De vizier schreeuwde "Hem straffen voor zijn eerloze daden en hem
doden!"
Toen zei ze "Je ziet toch dat hij berouw toont!"
Inderdaad riep Noereddin "0 vader, valt het u zo licht mij te doden
omdat ik Samira lief heb?"
De vizier, wie de tranen in de ogen sprongen, zei "Viel het jou dan
niet licht mijn leven en mijn goederen op het spel te zetten?"
Noereddin antwoordde "U hebt gelijk, ik heb een grote misdaad jegens
u begaan, maar ge weet toch dat grote geesten in staat zijn alles te
vergeven? Zo ik alle
ondeugden in mij verenig, in U treft men alle deugden aan en uw mooiste
deugd is grootmoedigheid"
Hij kuste de handen en voeten van zijn vader en de vizier zei "Waarom
heb je mij niet gezegd dat je Samira lief hebt en dat het geen
voorbijgaande gril was? Ik zal je de mooie Perzische geven, als je mij
belooft naast haar nooit een andere vrouw als wettige echtgenote te nemen,
haar nooit te mishandelen en nooit te verkopen." Noereddin antwoordde
"Dat zweer ik bij het leven van de profeet en op de Koran!" Toen
heerste er vreugde in het huis en Noereddin leefde een geheel jaar
gelukkig met Samira. De sultan was gelukkig de geschiedenis van de
tienduizend dinariën en de slavin vergeten. De boosaardige Mohin had wel
vage geruchten over de zaak gehoord, maar omdat Vadhleddin in hoge gunst
stond bij de sultan, durfde hij er niet over te beginnen.
Aan het einde van
dat jaar gebeurde het, dat Vadhleddin na een heet bad een erge kou vatte
en niet weer van het ziekbed opstond. Hij riep Zijn zoon bij zich en zei
"De dood kan ons vandaag wel vergeten, maar morgen zal hij
toeslaan. leder van ons loopt met haastige schreden naar de afgrond. Er is
geen God dan Allah en Mohammed is zijn profeet. Wat de mooie Perzische
betreft, houd je eed aan mij!"
Daarna sliep hij in en stierf hij zacht in zijn slaap.
Noereddin bezorgde zijn vader een schitterende begrafenis en gaf zich
geruime tijd aan droefheid en rouw over.
Op een dag zei een vriend tot hem "leder mens herleeft in zijn
nakomelingen. Een zoon als jij bent, kan slechts de beroemde zoon van zijn
vader zijn. Treur dus niet eeuwig en denk aan wat onze profeet Mohammed
gezegd heeft: Genees van uw droefheid en blijf niet rouwen om de
doden!"
Noereddin moest hem gelijk geven en besloot een einde te maken aan zijn
rouw. Hij stelde de deuren van zijn huis opnieuw open en begon weer
vrienden te
ontvangen. In het bijzonder hechtte hij zich aan tien jongelieden, zonen
van de voornaamste kooplieden van Baszrah. Hij leefde op zeer grote voet
en overlaadde zijn vrienden op een dergelijke manier met geschenken dat op
zekere dag zijn schatmeester hem kwam waarschuwen dat het er slecht begon
uit te zien met zijn financiën. Noereddin wilde er geen woord over horen
en zei "Zolang ik nog iets voor het ontbijt heb, maak ik mij geen
zorgen over het avondeten!"
En hij ging door met zijn weelderige levensstaat en zodra één van zijn
vrienden van iets zei "Wat is dat mooi!" schonk hij het hem. Hij
onthaalde zijn vrienden
s`morgens, s`middags en s`avonds telkens op een andere plaats.
Zo duurde dat lieve leventje een jaar. Hij luisterde niet naar de zachte
waarschuwingen van Samira en hij verwaarloosde haar zelfs een beetje en
had op het laatst zelfs geen tijd om de liefde met haar te bedrijven.
Nooit beklaagde zij zich, maar ze troostte zich met haar vingers, haar
boeken en muziek.
Eens toen hij van
een feest thuiskwam en bij haar ging zitten, diende zijn schatmeester zich
aan. Noereddin vroeg naar de reden van zijn bezorgde gezicht en de
schatmeester antwoordde "Mijn Heer en gebieder, wat ik sinds lange
tijd heb zien aankomen is nu gebeurd. Er is geen dirham meer over van uw
kapitaal. Hier zijn de boeken van de uitgaven die u mij hebt laten
doen."
Toen Noereddin zich op de hoogte had gesteld, liet hij het hoofd zinken en
riep uit "De wil van
Allah geschiede. Er is geen macht en bescherming buiten Allah!"
Hij begaf zich naar de feestzaal waar zijn vrienden bijeen waren, maar
nauwelijks was hij binnen, of één van de vrienden stond op en zei
"Ik verzoek je, mij te
verontschuldigen. Ik ga nu heen want mijn vrouw staat op het punt te
bevallen!" Noereddin had hem nauwelijks toestemming gegeven, of een
tweede gast kwam met een soortgelijke smoes en zo ging het door tot er
geen enkele vriend meer over bleef. Noereddin begaf zich geheel
terneergeslagen terug naar zijn vrouw en Samira wees hem er op dat zijn
familie hem al zo vaak verwijten had gemaakt, maar dat hij nooit had
willen luisteren. En had zij hem ook niet dikwijls
gewaarschuwd! Noereddin zei hierop: "Je weet toch dat ik al mijn
bezittingen aan mijn vrienden verspild heb!"
"Bij Allah," antwoordde Samira, je zult er zeker geen plezier
van hebben."
Noereddin antwoordde: "Ik zal ze allemaal opzoeken, misschien krijg
ik toch wel zoveel van ze los dat ik een handelszaak kan beginnen, want ik
zal het niet meer aan amusement opmaken!"
Aanstonds ging hij op weg om het stadskwartier te bezoeken waarin zijn
tien beste vrienden woonden. Overal waar hij zich aanmeldde, werd hem
echter het antwoord gegeven dat de heer des huizes niet thuis was. Pas
toen ging hem een licht op en zag hij in hoe dom hij was geweest. Dubbel
bedroefd kwam hij bij de mooie Samira terug, die zei: "Ben je nu van
de waarheid overtuigd en geloof je nu wat ik je voorspeld heb?"
"Ach!" riep hij uit, "zelfs niet één heeft mij te woord
willen staan."
Zij gaf hem de raad: "Verkoop onze huisraad, totdat Allah anders over
ons beschikt."
Noereddin begon met allerlei meubelen en huisraad te verkopen en van de
opbrengst te leven tot er niets overbleef. Toen vroeg hij de mooie
Perzische: "Wat rest mij nu nog om te verkopen?" Zij antwoordde:
"Ik raad je aan naar de markt te gaan en mij te verkopen. Je weet
toch dat je vader zaliger mij voor tienduizend dinariën gekocht heeft,
misschien krijg je wel ongeveer dat bedrag voor mij terug en als Allah wil
dat wij weer verenigd worden, dan zal dat ook wel gebeuren."
"Samira!" riep Noereddin uit, "Zoiets kan ik niet doen, het
valt mij immers reeds zwaar een luttel uur gescheiden van je te
leven!"
"Precies zo
is het met mij," antwoordde zij, "maar nood breekt wetten!"
Hij maakte zich gereed om te gaan en nam haar bij de hand. Op de markt
gekomen, wendde hij zich tot een afslager, genaamd Hadschi Hassane en hij
zei tot hem: "Ik heb hier een slavin die ik verkopen wil. Bied haar
aan!"
De afslager antwoordde: "Ik zal uw edele afstamming niet vergeten.
Maar wat zie ik? Is dit niet de slavin die wijlen uw vader de vizier voor
tienduizend dinariën heeft gekocht indertijd?"
Noereddin verzekerde hem dat het dezelfde was. Toen begaf de afslager zich
midden onder de kooplieden die allerlei slavinnen aanboden: Nubische,
Europese, Turkse, Tartaarse, Circasische en Georgische en hij riep:
"0 mannen van grote rijkdommen, ik heb hier een slavin die de parel
is van alle slavinnen. Bestemt u zelf de prijs waanneer ik haar zal
inzetten."
Een van de kooplui riep "Begin dan met vierduizend dinariën!"
Op dat ogenblik kwam juist de boze Mohin voorbij en toen hij Noereddin zag
staan, dacht hij: "Wat zou de zoon van Vadhieddin hier wel op de
markt komen doen? Als ik goed ingelicht ben is hij tot de bedelstaf
gebracht. Wil hij nu zijn geliefde slavin verkopen? Dat doet mij
goed!"
Hij riep de afslager en vroeg of hij de slavin mocht zien. Hij vond haar
bijzonder mooi en horende dat zij was ingezet op vierduizend dinariën als
eerste bod, zei hij: "Mijn bod is hoger, Vijfduizend dinariën, daar
koop ik haar voor!"
Niemand van de koop- lieden durfde meer te bieden, want zij kenden de
gewelddadigheid van de vizier en waren bang voor represailles indien zij
hem zouden overbieden. De afslager stond bedremmeld te kijken, en vroeg
Noereddin zijn mening, maar de vizier schreeuwde hem toe: "Wat sta je
daar te gapen? Ga naar je opdrachtgever en sluit de zaak met hem af!"
De afslager liep haastig naar Noereddin en vertelde hem hoe de gevreesde
vizier verder opbod onmogelijk had gemaakt. Hij voegde er aan
toe:"Het zou nog niet eens zo erg zijn als hij die vijfduizend dinariën
nu ook maar contant betaalde, maar hij zal een wissel op zijn schatmeester
geven en die zegt dan, wanneer u om het geld komt: Wilt u morgen nog eens
terugkomen! En dat herhaalt hij iedere keer, net zo lang tot u de wissel
uit wanhoop verscheurt. Het enige wat u kunt doen is dit. U doet het
voorkomen, of u haar enkel in een opwelling van woede op de markt gebracht
hebt en er nu weer van afziet. Daar kan de vizier weinig tegen in
brengen!"
De afslager ging terug naar zijn standplaats en zei tegen de
vizier:"Daar komt de bezitter!"
Nauwelijks had hij die woorden gesproken of Noereddin kwam te voorschijn,
greep de slavin vast, gaf haar een klap op de wang en riep: "jij
onbeschaamde slet!
Je ziet dat ik je op de markt durf te brengen om je te straffen, ga nu
maar naar huis en gedraag je voortaan fatsoenlijker."
De vizier zei honend tot Noereddin: Wou je mij wijsmaken dat je nog iets
anders zou kunnen verkopen dan haar?"
Hij wilde Noereddin bij de kraag grijpen, maar deze wierp een blik op de
omringende kopers en kooplieden die hem allemaal goed gezind waren en zei
"Bij Allah, als jullie geen getuigen waren zou ik hem ter plekke
doodslaan!"
Zij gaven hem door een wenk te kennen dat zij niet tussenbeide zouden
komen en Noereddin die een jonge sterke man was en zich aangemoedigd
voelde door de om- standers, pakte de vizier beet, wierp hem op de
modderige grond en gaf hem een flink pak slaag. Tien Mammelukken die Mohin
begeleidden, wilden met getrokken sabel op Noereddin aanvallen, maar de
kooplieden verhinderden het en zeiden: "Weten jullie dan niet dat al
is de één een vizier, de ander de zoon van een vizier is? Laat ze toch!
Over een paar dagen zijn ze weer goede vrienden en dan moeten jullie
boeten voor de gevolgen."
Toen Noereddin moe was van de afstraffing, nam hij de mooie Perzische bij
de hand en ging met haar naar huis terug. Mohin stond met veel moeite op
en zijn witte boernoes was vol modder en bloed. Hij liep regelrecht naar
het paleis en zei tot de sultan: "0 koning dezer eeuw, men heeft mij
geweld aangedaan!"
De sultan vroeg wie hem zo toegetakeld had en Mohin vertelde hem, terwijl
tranen van woede hem over de wangen stroomden:"0 koning, " zo
loog hij, "Ik was naar de markt gegaan om een slavin voor de keuken
te kopen. Men bood er een aan voor vierduizend dinariën. Ik liet haar
voor mij brengen en zie, het was de mooiste vrouw die ik ooit gezien had.
De bezitter bleek Noereddin te zijn, de zoon van wijlen de vizier
Vadhleddin. Misschien herinnert u zich nog, o Heer, dat u die vizier eens
tienduizend dinariën liet uitbetalen om een slavin voor u te kopen. Hij
kocht er inderdaad één, maar vond u haar niet waardig en gaf haar aan
zijn zoon. Sedert de dood van zijn vader heeft deze Noereddin er alles
doorgedraaid en tenslotte bleef hem niets meer om te verkopen dan deze
slavin. Ik stelde hem daarom voor, de slavin voor vijfduizend dinars te
kopen om haar aan de sultan, onze Heer en meester te schenken, die er
tenslotte al tienduizend voor had uitgegeven. Hij keek mij echter brutaal
aan en zei: Nietswaardige ouwe kerel, ik verkoop haar nog liever aan een
Christen! Tegelijk viel hij mij aan, sleurde mij van mijn paard en
mishandelde mij zo, dat ik in de toestand geraakte waarin u mij nu
ziet..."
Na gesproken te hebben, wierp Mohin zich op de grond en stelde zich aan of
hij van emotie in zwijm gevallen was. De sultan voelde de aderen op zijn
voorhoofd zwellen van woede. Hij gaf veertig lijfwachten bevel naar het
huis van Noereddin te gaan, daar alles leeg te plunderen en de slavin
gebonden voor hem te slepen. In het paleis was echter een dienaar, Sandjar
Elin geheten, die vroeger een toegewijde kamerheer van vizier Vadhieddin
was geweest en toen deze dit bevel hoorde, sprong hij ijlings te paard en
reed in volle vaart heen om de zoon van zijn vroegere meester te
waarschuwen. Toen Noereddin de vroegere kamerheer van zijn vader zag
aankomen, begroette hij hem, maar Sandjar onderbrak hem: "Het is nu
geen tijd voor plichtplegingen, Heer. Maak u gereed om te vluchten met uw
slavin, want Mohin heeft een kuil voor u gegraven waar u in zult vallen
wanneer u draalt. Veertig gewapende mannen zijn op weg hierheen om u en uw
slavin gebonden voor de sultan te brengen. Vlucht onmiddellijk, voor ze
komen!"
Hij haalde een hand vol goud uit zijn gordel en gaf dat aan Noereddin met
de woorden "Hier zijn veertig dinariën, ik zou u graag meer geven
als ik dat had, maar neem dit nu en ga."
Noereddin en Samira verlieten daarop haastig de stad onder de hoede van
Allah. Aan de oever van de rivier vonden zij een schip dat juist op het
punt was het anker te lichten om naar Bagdad, de stad des vredes te varen
en zij gingen aan boord van dit schip. Een goede wind begunstigde de vaart
en met Allah's hulp bereikten zij Bagdad. Zij dwaalden de stad in en
kwamen bij de tuinen van de kalief Haroen-Al-Raschid terecht. De lente had
juist haar intrede gedaan en de bomen bloesemden, de beken ruisten en de
rozen ontloken. Zij wasten zich bij een bron en strekten zich uit om uit
te rusten op één van de vele rustbanken die er stonden. Zij wisten niet
dat de tuin waarin zij zich bevonden, de Tuin der Genietingen heette en
dat in het midden daarvan het Paleis der Wonderen stond. Dat paleis
bestond slechts uit één grote zaal, met tachtig vensters, voor ieder
venster was een lamp gehangen, terwijl in het midden een luchter hing van
massief goud, even blinkend als de zon.
Daar liet de kalief als hij zijn zorgen even wilde vergeten, zijn
haremmeisjes, zangeressen en danseressen komen, maar het meeste genoot hij
van zijn zangeres Ischama, wier liederen en improvisaties over de hele
wereld beroemd waren. Hij die door de kalief was aangewezen als opzichter
over deze tuin, was een goede oude man, genaamd sjeik Ibrahim.
Daar er dikwijls
mensen waren, die met vrouwen van verdachte zeden de rust in de tuin
kwamen verstoren om aldaar hun drankgelagen en lage lusten te botvieren,
had de kalief de grijsaard volmacht gegeven om te doen wat hij wilde met
ieder, die hij in of bij de tuin aantrof. Toen Ibrahim de twee gelieven
aantrof, wilde hij er dan ook met zijn stok op los slaan, maar bij
nader inzien beheerste hij zich.
"Bij Allah," dacht hij, "dat zijn twee mooie mensen! Pas op
wat je doet, Ibrahim, misschien zijn het vreemdelingen van hoge komaf die
het lot verdwalenderwijs hierheen heeft gevoerd!"
Hij maakte Noereddin zacht wakker en toen deze de eerbiedwaardige
grijsaard aan zijn voeten zag, richtte hij zich beschaamd op en kuste
Noereddin hem eerbiedig de hand. "Wie zijt gij, mijn zoon?"
vroeg Ibrahim.
Noereddin antwoordde met tranen in de ogen "Wij zijn vreemdelingen!
Verjaagd uit onze stee door woeste misdadigers!"
"De profeet heeft ons geboden vreemdelingen eer te bewijzen,"
zei de oude, "wilt u misschien wat in de tuin wandelen?"
"Van wie is de tuin?" vroeg Noereddin.
Om hem gerust te stellen zei Ibrahim "Hij is van mij, het is een
erfdeel mijner vaderen."
Noereddin en Samira volgden daarop de grijsaard dankbaar in de tuin. En
wat voor een tuin was het! De ingang was een gewelf dat met wijnranken was
bedekt. Nachtegalen zongen hun zoete melodieën, tortelduiven vulden de
lucht met hun gekoer en daartussen mengde zich het gefluit van de merels.
De bomen waren beladen met een weelde van vruchten. Er waren bloemen in
alle kleuren en geuren: rozen, viooltjes, anemonen, anjelieren, lavendel
en mirre, narcissen en kamille. Sjeik Ibrahim leidde hen in de zaal van
het paleis en bracht hun iets te eten. Noereddin vroeg of er ook wellicht
iets te drinken was en toen de grijsaard met water kwam aandragen zei
Noereddin:"Dat soort drinken bedoel ik niet!"
"U bedoelt toch geen wijn?" vroeg Ibrahim.
"Natuurlijk!" antwoordde Noereddin en daarop riep de grijsaard
uit: "Allah sta mij bij! In geen dertien jaar heb ik wijn geproefd.
De profeet vervloekt degene die wijn drinkt, in zijn kelder houdt of
opdist!"
"Zou het u iets kunnen schelen, wanneer een ezel vervloekt
wordt?" vroeg Noereddin. Ibrahim ontkende dat.
"Nu dan,
hier zijn twee dinariën, ga naar de eerste de beste herberg, laat een
willekeurige voorbijganger daar wijn kopen en dat op de ezel laden. Op die
manier hebt u persoonlijk nergens schuld aan. Zorg alleen dat de ezel hier
terecht komt."
"Bij Allah, mijn zoon, jij kunt goede ideeen bedenken!" lachte
sjeik Ibrahim, en hij ging er op uit. Toen hij terugkwam zei
Noereddin:"Geef hier de drank en breng ons glazen. Wij nemen alle
verantwoordelijkheid op ons en vragen Allah om vergeving."
De oude man deed wat hem gevraagd werd en bleef daarna op een afstand
toezien hoe de twee gelieven dronken, tot een blos hun wangen kleurde en
hun ogen schitterden. Toen Samira haar haren losmaakte, kwam Ibrahim wat
dichterbij, want nog nooit had hij zo'n mooi paar gezien.
Noereddin schonk een beker vol en bood die de oude man aan, maar deze
weigerde te drinken. "Vergeet niet dat ik mij in geen dertien jaar
aan zo'n overtreding heb schuldig gemaakt," zei hij, "en dat ik
Hadjibaba ben, ik heb tweemaal een bedevaart naar Mekka heb gemaakt."
Noereddin die zag dat aandringen niet hielp, bedacht een list. Hij hield
zich dronken, viel op de grond en veinsde in slaap te vallen. Samira zei
tot
Ibrahim: "0 sjeik Ibrahim, zo doet hij nu altijd. Hij drinkt net
zoveel tot hij er bij neervalt en laat mij dan alleen. Helaas heb ik geen
lust om alleen te drinken!"
Zij vulde opnieuw een beker en keek de grijsaard smachtend aan. Die voelde
onder haar blik zijn oude spieren sidderen en zei:"Inderdaad, daar is
weinig plezier aan!" Toen zij hem vleiend bleef aanzien, nam hij
eindelijk de beker en bracht hem aan zijn lippen. Op dat ogenblik sprong
Noereddin met een schaterlach overeind en riep:"Hei daar, ouwe
schurk, je had toch in geen dertien jaar gedronken?"
Het liep er op
uit, dat zij tenslotte alle drie stevig aan het pimpelen sloegen, tot een
groot deel van de nacht verstreken was. "0 sjeik, hoe heerlijk hebben
we het bij jou!" zei Samira. "Mag ik nu één van die lampen
aansteken?"
En Ibrahim antwoordde:"Goed, maar niet meer dan één!"
Het eind van het lied was dat de lichtelijk aangeschoten Samira niet
slechts één lamp aanstak, maar alle tachtig voor alle vensters, zonder
dat de dronken sjeik er erg in had.
Hij zei alleen: "Jullie zijn nog losbandiger dan ik!"
Nu wilde het noodlot, welk bestuurd wordt door Allah de Alwetende, dat om
deze tijd Haroen-Al-Raschid voor het venster van zijn paleis stond dat
uitkeek op de tuin. Hij ontdekte de weerschijn van de verlichting in het
water van de Tigris en tegen de nachthemel. Hij wist niet wat hij daarvan
denken moest en hij liet zijn grootvizier Djafar roepen. Toen deze
verscheen, beet de kalief hem toe: "jij hond onder de vizieren,
waarom houd je mij niet op de hoogte van wat er in mijn tuin
gebeurt?"
De vizier begreep niet waar hij het over had, tot de kalief hem op het
Paleis der Wonderen in de Tuin der Lusten wees, waar alle tachtig lampen
ontstoken waren. "Kijk zelf!" zei hij.
De van schrik sidderende vizier keek in de aangewezen richting en begreep
dat er vrienden van Ibrahim aan het feestvieren waren en verontschuldigend
zei hij: "0 vorst der gelovigen, Ibrahim kwam mij onlangs vergunning
vragen om het besnijdingsfeest van één zijner kinderen in het paleis te
mogen vieren. Ik gaf hem toestemming en beloofde hem dat ik het u zou
melden, maar het is mij helemaal door het hoofd gegaan."
De kalief zei: "Djafar, je hebt twee fouten gemaakt. Ten eerste heb
je het vergeten te zeggen en ten tweede heb je niet begrepen dat het
Ibrahim om een geschenk van mij, ter ere van zijn kind, te doen was. Laten
wij de rest van de nacht in zijn gezelschap doorbrengen. Hij heeft stellig
een aantal monniken uitgenodigd, wier gebed ons geluk kan aanbrengen in
deze wereld en in de komende!"
De vizier trachtte hem tevergeefs van zijn voornemen af te brengen. De
kalief verkleedde zich in het gewaad van een koopman en ging, vergezeld
door zijn vizier en zijn dienaar Maszoer, naar de tuin. In de buurt van
het paleis gekomen zei hij: "Vreemd dat een zo groot gezelschap zo
weinig rumoer maakt. Ik wil eerst eens afluisteren wat ze daar binnen
uitvoeren."
Hij klom in een noteboom die dicht bij één van de vensters stond en keek
naar binnen. Hij zag een jongeling en een jonge vrouw, zo mooi als de
dageraad en tussen hen in stond Ibrahim, met een opgeheven beker in de
hand, die tot de vrouw zei: "0 schoonste der koninginnen, de drank
krijgt zijn volle heerlijkheid eerst door het lied!"
En met zijn bevende oude stem zong hij een liefdeslied. Het gezicht van de
kalief zwol op van toorn. Hij daalde neer uit de boom en zei tot Djafar:
"Nog nooit heb ik zoiets stichtelijks gezien als al die respectabele
sjeiks en monniken ter ere van een besnijdingsfeest, die daar in de zaal
bij elkaar zijn. Klim maar eens in de boom en kijk zelf."
Djafar, die geheel in de war was, klom in de boom en zag wat de kalief
gezien had. In doodsangst kwam hij weer naar beneden en de kalief zei tot
hem: "Gezegend zij Allah, die ons naar deze ceremoniën geleid heeft
en ons behoedt voor de slechte paden der verzoeking. Maar in ernst, ik zou
nu toch wel eens willen weten wie die twee mensen zijn. Het lijken mij
vreemdelingen en ik moet toegeven dat ze mooi van gestalte zijn!" De
vizier smeekte om vergeving voor het verhaal dat hij verzonnen had en zei:
"Gij spreekt de waarheid Heer, ze zijn heel mooi!"
De kalief stelde nu voor dat ze samen eens een kijkje zouden gaan nemen
vanuit de boom en dus klommen ze weer naar boven en keken door het venster
naar binnen. juist op dat ogenblik zei Ibrahim tot de mooie Perzische:
"0 koningin, de wijn der heuvelen heeft mij de onvruchtbare ernst der
strenge zeden en hun lelijkheid overboord doen gooien, maar mijn geluk zal
pas volmaakt zijn wanneer ik u de snaren der harmonie zal horen
bespelen!"
Samira antwoordde: "Hoe kan dat als ik geen snareninstrument
heb?"
Sjeik Ibrahim ging even weg om terug te keren met de luit waarop hij
altijd voor de kalief speelde en de kalief die dit zag fluisterde tegen
Djafar: "Zij zal op de luit gaan spelen en er bij zingen. Doet ze het
slecht dan laat ik jullie allemaal op- hangen, doet ze het goed, dan
schenk ik iedereen vergeving behalve jou. Jou laat ik opknopen."
"Vorst van alle gelovigen," zei de vizier, "dan hoop ik bij
Allah, dat zij slecht zal spelen, want het gezegde luidt: hoe meer zielen
hoe meer vreugd en dat geldt ook bij het sterven!"
De kalief moest er om lachen, maar legde zijn vinger op de mond, want het
meisje had intussen de luit gestemd en ontlokte er tonen aan, die in staat
waren doden op te doen staan. En toen begon zij een smachtend liefdeslied
te zingen. "Bij Allah!" riep de kalief uit, zo'n heerlijke stem
heb ik nog nooit gehoord. Mijn boosheid is over! Ik zal je sparen,
Djafar!"
Hij daalde uit de
boom neer en zei tot Djafar:"Ik wil naar binnen om dat meisje van
nabij te horen zingen."
De vizier waarschuwde: "Vorst van alle gelovigen, als u dat doet zult
u ze storen en Ibrahim zal zich dood schrikken."
"Verzin dan iets zodat ze ons niet herkennen" zei de kalief.
Djafar liep nu naar een visser die bezig was aan de oever van de Tigris
zijn net uit te gooien en meteen begreep de kalief, die hem gevolgd was,
wat hij van plan was. Hij herkende de visser, die op een plek stond van
verboden viswater en hij riep hem bij zijn naam, Katim. Toen de visser de
kalief zag, begon hij te beven van angst en jammerde dat hij het verbod
alleen had overtreden omdat zijn gezin in de bitterste armoede en honger
verkeerde. De kalief stelde hem gerust: "Maak je geen zorgen, Katim
en haal het net op. Ik wens je een gelukkige vangst!"
Toen de visser dit gedaan had, vervolgde de kalief: "trek nu je
kleren uit, Karim!" De visser trok onmiddellijk zijn kleed uit dat
vol vlekken en ongedierte zat, ook nam hij zijn hoofddoek af die in jaren
niet schoongemaakt was. Daarop ontdeed de kalief zich van zijn zijden
overkleed en linnen onderkleed en trok ook nog zijn fluwelen buis en broek
uit. "Jij neemt mijn kleren," zei hij tot de visser, "en ik
neem de jouwe."
Hij trok het
vieze kleed, aan en bond de hoofddoek om. De visser kuste hem de handen en
bedankte hem uitbundig voor de verleende genade, maar nauwelijks was hij
uitgesproken, of de kalief voelde over zijn hele lichaam jeuk, zodat hij
zich als een razende begon te krabben waar hij maar kon.
"Ellendige!" riep hij tegen de visser, "hoe kom je toch aan
al die vieze beesten!"
Karim antwoordde:"Die steken alleen maar in het begin, O Heer. Binnen
een week bent u er zo aan gewend dat u ze niet meer voelt. Ik dacht dat
het u te doen was om vissen te leren en daar is dat kleed juist heel goed
voor."
De kalief lachte hartelijk om deze woorden en toen Karim weg was, bedekte
hij de viskorf met groen en ging er mee naar het paleis in de tuin. Djafar
volgde hem en riep opgetogen dat niemand hem herkennen zou.
"Prachtig" zei de kalief," en blijf nu iets terzijde staan
en wacht op mij!"
Hij klopte aan de deur en zei: "Ik ben Karim en daar ik hoor dat u
gasten hebt, kom ik u een paar mooie vissen brengen."
Noereddin en Samira die allebei erg veel van vis hielden bevalen Ibrahim
open te doen en daarop trad de kalief binnen. Hij liet de vissen zien die
nog levend waren en spartelden. "Dat zijn prachtige vissen" zei
Samira, "waren ze nu ook maar gebakken!"
Waarop de kalief antwoordde:"0, maar dat kan dadelijk gebeuren, ik
zal ze zelf even gaan bakken, Uw wens is mijn bevel."
Hij ging naar buiten en zei tegen zijn vizier: "Ze willen ze gebakken
hebben en bij het graf van mijn edele vader en voorvaderen, ik zal ze met
eigen hand
schoonmaken en bakken!"
Hij ging naar het huisje van de tuinopzichter en vond daar alles wat hij
nodig had. Toen hij de vissen gebakken had, legde hij ze op een
bananenblad, deed er citroen bij en bracht ze naar de drie feestvierders
in het paleis. Zij lieten zich de schotel heerlijk smaken. "Bij
Allah, visser," zei Noereddin, "je hebt ons vannacht een grote
dienst bewezen!"
Hij nam drie dinariën en reikte ze aan de kalief met de
woorden:"Neem dit, het spijt me dat ik je niet meer kan geven. Jammer
dat ik je vroeger niet gekend heb, dan zou ik je van je armoede verlost
hebben."
De kalief nam de drie dinariën, kuste ze en stak ze bij zich. "Ik
kan u niet genoeg danken voor uw mildheid, Heer," zei hij, maar toch
heb ik nog één bede aan u. Ach, dat het mij vergund ware, dit meisje te
horen zingen!"
Noereddin verzocht daarop aan Samira iets voor de visser te zingen. Ze
stemde opnieuw de luit en zong een teder liefdeslied. De kalief was zo
verrukt door haar prachtige stem, dat hij zich door zijn hartstocht liet
meeslepen en uitriep: "Ai, ai! Allah, Allah!"
Noereddin, die de gewoonte had alles wat hij bezat zomaar aan zijn
vrienden weg te geven, zei: "Ben je zo verrukt, visser? Nu, dan
schenk ik je dit meisje, neem haar mee als een geschenk van iemand die
nooit terugvraagt wat hij eenmaal gegeven heeft!"
Tegelijkertijd nam hij zijn overkleed dat hij vroeger op de avond
uitgetrokken had, wierp het de gewaande visser toe en zei tegen hem dat
hij met de mooie Perzische mocht heengaan. Samira echter keek naar hem met
betraande blik en zei: " Hoe kun je zo maar, zonder meer, afscheid
van me nemen, van mij die je liefheeft, meer dan mijn eigen leven?"
En ze zong een smartelijk liefdeslied, dat door Noereddin beantwoord werd
met een even droevig lied. De kalief voelde zich uitermate geroerd omdat
hij de oorzaak was van deze scheiding, maar toch was hij ook verwonderd
dat Noereddin hem zo gemakkelijk de schone had willen afstaan en hij vroeg
hem: "Hebt u deze jonge vrouw misschien geschaakt?"
Bij Allah, visser," zei Noereddin, "Dit meisje en mij zijn
vreemde dingen overkomen!"
En daarop vertelde hij van hun wedervaren. "En waar gaan jullie nu
heen?" vroeg de kalief, nadat hij alles had aangehoord. "Allah's
aarde is groot en breed" was het antwoord. De kalief vervolgde:
"Ik zal je een brief meegeven, die je persoonlijk moet overhandigen
aan de sultan van Baszrah, aan Mohammed, zoon van Soeleiman. Zodra hij die
gelezen heeft zal hij je geen kwaad meer doen."
Noereddin, reeds verwonderd doordat de visser plotseling een gemeenzame
toon tegen hem aansloeg zei: "Wie heeft ooit gehoord dat een visser
correspondeert met een sultan?"
De kalief zei: "Wij hebben op school dezelfde leermeester gehad en in
die tijd zijn we de beste vrienden geworden. Later werd hij sultan en ik
een eenvoudige visser, maar ik was altijd veel knapper op school dan hij
en omdat hij helemaal niet
verwaand is, hield hij de oude vriendschap met mij aan. Ik kan hem niets
vragen, of het wordt dadelijk door hem toegestaan."
"Goed" zei Noereddin, "schrijf dan maar, ik ben benieuwd
wat het uithaalt."
De kalief nam pen en inkt en schreef: In naam van Allah, de Barmhartige!
Deze brief wordt u gezonden door Haroen Al Raschid Ben Madhi El Massi, aan
zijne Hoogheid Mohammed Ben Soeleiman El Zeini, die door mijn genade als
mijn
vertegenwoordiger is geplaatst in een deel van mijn rijk! Zodra Noereddin,
zoon van vizier Vadhleddin, u dit, mijn eigenhandig schrijven, heeft
overhandigd en gij dit gelezen hebt, zult gij uw waardigheid afleggen en
Noereddin uw plaats op de troon laten innemen, want ik heb hem met deze
waardigheid bekleed. Zorg dat gij gehoorzaamt aan dit gebod. En dat Allah
u behoede!
Hij vouwde de brief, verzegelde hem en gaf hem aan Noereddin, zonder hem
op de hoogte te brengen van de inhoud. Noereddin deed de brief in zijn
tulband en vertrok onmiddellijk naar Baszrah om de brief aan sultan
Mohammed te overhandigen, terwijl hij Samira wenende van liefdesverdriet
achterliet…
Nauwelijks was Noereddin de deur uit of Ibrahim wendde zich tot de kalief:
"Jij ellendige visser, nu ben je nog niet tevreden met drie dinariën
voor een zootje vis wat hoogstens tien drachmen waard is, maar nu wil je
ook nog dit jonge meisje hebben. Begin maar met mij de helft van het geld
te geven en reken maar dat we het meisje ook delen. Eerst neem ik haar tot
mijn minnares en als ik voldoende bevredigd ben dan kan jij haar
krijgen!"
Toen ging de kalief voor één van de vensters staan en klapte in de
handen.
Djafar en Maszoer die op dit teken hadden gewacht, drongen de kamer
binnen. Maszoer viel Ibrahim aan en maakte hem weerloos. Djafar had een
prachtig gewaad bij zich dat hij buiten al door een bediende had laten
halen en nu trok hij het de visser eerbiedig aan, na hem de hand gekust te
hebben. Sjeik Ibrahim keek verbluft toe en vroeg zich af of hij waakte of
droomde. Tot de ontdekking komende dat hij klaar wakker was, wierp hij
zich op de grond en zei: "Vergeef mij, o gij die boven alle
schepselen staat! De meester is edelmoedigheid verschuldigd aan de
nederige slaaf!"
De kalief vergaf hem en liet de plotseling dodelijk verlegen Samira naar
zijn paleis brengen, in een apart vertrek, met slaven en slavinnen tot
haar beschikking.
Daar kwam hij haar opzoeken en zei: "Nu behoor je mij toe voorlopig,
omdat ik je begeer en omdat Noereddin u edelmoedig aan mij heeft
afgestaan. Weet dat ik Noereddin als beloning tot sultan van Baszrah
benoemd heb. Na een liefdesnacht zal ik je met een prachtig eregewaad naar
hem toe laten gaan en dan zal je zijn sultane zijn!" Toen nam hij
haar in zijn armen en die nacht was zij zijn tedere geliefde die hem alle
zeven hemels van Allah toonde.
Intussen was Noereddin naar Baszrah gegaan en had zich laten aandienen in
het paleis, waar hij voor de sultan neerknielde en hem de brief
overhandigde. Toen de sultan de brief gelezen had, kuste hij hem driemaal
en riep uit: "Dat men de vier kadi's en alle rijksgroten bijeen
roepe, opdat ik afstand doe van de troon!" Natuurlijk verscheen Mohin
als eerste en de sultan liet hem de brief lezen. De vizier las de brief,
scheurde hem in stukken, kauwde er op en spuwde hem weer uit.
"Mijn Heer en koning," zei hij," Noereddin heeft de kalief
nimmer ontmoet, hij is een listige bedrieger, die zeker ergens papier van
de kalief heeft gevonden en diens handtekening heeft nagemaakt. Als de
kalief werkelijk de schrijver was geweest, had hij Noereddin wel een
kamerheer of een vizier meegegeven."
De sultan hechtte dadelijk geloof aan de leugenachtige woorden van Mohin
en liet Noereddin zodanig geselen dat deze bewusteloos neerviel. Daarna
liet hij de opperste cipier komen en beval hem: Gooi deze man in de
diepste kerker, en martel hem vannacht aan één stuk door! De cipier, die
Koutail heette, deed of hij gehoorzaamde en bracht de gevangene inderdaad
naar de diepste kerker, maar eerst liet hij deze zorgvuldig schoonmaken en
er een tapijt en een rustbank met kussens in dragen. Hij ontdeed Noereddin
van zijn boeien en zei: "Vrees niets o Heer, ik ben niet vergeten
hoeveel goed wijlen uw vader de vizier mij heeft behandeld!"
Hij behandelde
zijn gevangene verder liefderijk, hoewel hij iedere dag opnieuw het bevel
kreeg Noereddin de ergste martelingen aan te doen. Zo gingen veertig dagen
voorbij. Op de éénenveertigste dag kwam er uit Bagdad een prachtig
geschenk voor de sultan aan, gezonden door de kalief. Mohammed liet
opnieuw al zijn rijksgroten bijeen roepen en vroeg hen wat zij daar van
dachten. Een enkele waagde het te veronderstellen dat het geschenk
misschien wel voor de nieuwe sultan bestemd was. Onmiddellijk riep Mohin
uit: "Het was beter geweest wanneer u hem maar onmiddellijk had laten
doden! Dan immers kunt U beweren dat hij nooit hier aangekomen is!"
"Bij Allah, je hebt gelijk!" zei de sultan. "Breng de kerel
hier, dan laat ik hem
onthoofden!"
Vol leedvermaak liep Mohin naar de wadi en beval hem de executie van
Noereddin in alle wijken van de stad te laten omroepen. Toen de bewoners
de omroepers hoorden schreeuwen dat Noereddin onthoofd zou worden, gingen
zij allen in de rouw, tot kleine kinderen en grijsaards toe. Een groot
aantal haastte zich naar de plaats van executie om het tafereel goed te
kunnen zien en de rest begaf zich naar de gevangenis om de veroordeelde te
troosten en te begeleiden. Mohin had zich intussen met tien Mammelukken
eveneens naar de gevangenis begeven en daar verzekerde de cipier Koutaïl
hem, dat hij de gevangene half dood geranseld had.
De vizier wenste Noereddin te zien en de cipier haalde hem uit de kerker,
na hem gauw in een vuil kleed van lompen gestoken te hebben. Toen
Noereddin zijn aartsvijand zag zei hij: "Hier ben ik, maar geloof
niet dat het noodlot je altijd gunstig gezind zal blijven. Weet dat de
verheven Allah kan doen zoals hij wil!"
Mohin antwoordde: "Denk je mij bang te kunnen maken? Ik laat je
vandaag nog onthoofden!"
Daarop gaf hij de Mammelukken bevel Noereddin aan te grijpen, maar zij
aarzelden, bang voor de opgewonden menigte buiten en omdat hun sympathie
aan de kant van de gevangene stond. De cipier vroeg of Noereddin nog iets
te eten of te drinken wilde hebben en op diens verzoek bracht hij hem een
nap met drinkwater. Mohin sloeg hem echter de nap wreed uit de hand en gaf
de mammelukken nogmaals bevel de gevangene te boeien en te blinddoeken.
Hoe- wel met tegenzin, gehoorzaamden zij, terwijl de menigte de vizier
begon uit te jouwen en er een onbeschrijfelijk tumult ontstond. juist toen
de sultan zich voor het venster had opgesteld om de terechtstelling gade
te slaan, zag men in de verte een grote stofwolk. Mohin die onraad
vermoedde, drong er bij de sultan op aan dat deze het teken tot
onthoofding onmiddellijk zou geven, maar deze zei: "Zwijg, laten we
eerst zien wie daar aankomt! Het bleek dat de stofwolk opgejaagd werd door
Djafar en zijn ruiters die spoedig zichtbaar Werden.
De oorzaak van Djafar`s haastige spoed was de volgende: Na zijn
liefdesnacht met Samira had de sultan weken lang niet meer aan haar
gedacht, maar toen hij op een avond haar vertrekken passeerde, hoorde hij
haar zacht zingen: "Of gij aanwezig of veraf zijt, mijn vingers Uw
aanwezigheid slechts minimaal kunnen vervangen, mijn liefde voor U verlaat
mij nooit... "
Daarop hoorde hij haar zo smartelijk wenen dat hij de deur opende en
binnentrad. Ze wierp zich aan zijn voeten die zij driemaal kuste en riep
uit "0 gij, die van roem- volle geboorte zijt, laat mij u herinneren
aan uw belofte, mij door uw edelmoedigheid geschonken. Hoe hebt gij die
kunnen vergeten!"
De kalief herinnerde,zich alles weer en liet in allerijl Djafar roepen en
zei: "Reis meteen naar Baszrah en zie of Noereddin niets overkomen
is. Wanneer men
Noereddin gedood heeft, straf dan de schuldigen zonder aanzien des
persoons.
Ga nu met de grootst mogelijke haast!"
Zo gebeurde het
dat Djafar met zijn escorte nog juist op tijd in Baszrah aankwam en voor
de sultan verscheen. Hij vroeg: "Wat betekent al dit tumult? En waar
is Noereddin? Als hem iets overkomen is, heb ik het bevel de schuldige ter
plaatse te straffen."
De sultan gaf bevel Noereddin te halen en nauwelijks was deze, in zijn
lompen gekleed, binnengebracht, of Djafar gaf bevel de sultan zelf en zijn
vizier Mohin gevangen te nemen. Onmiddellijk daarna benoemde hij uit naam
van de kalief Noereddin tot sultan. Hij bleef drie dagen om de zaken met
hem te regelen. Toen sprak sultan Noereddin de wens uit de vorst aller
gelovigen terug te zien en de vierde dag na zijn benoeming begaf hij zich
met Djafar op weg naar Bagdad.
Door zijn ruiters liet hij zijn voorganger en diens vizier geboeid in een
getraliede gevangenenwagen meevoeren.
In Bagdad aangekomen haastten zij zich niet hun gevangenen voor de kalief
te verschijnen, waar Djafar verslag uitbracht van het voorgevallene in
Baszrah. Toen naderde de kalief Noereddin, gaf hem een zwaard en zei:
"Houw er eigenhandig je vijand het hoofd mee af!"
Noereddin trad met het zwaard op Mohin toe, maar de sluwe vos zei tegen
hem: "Ik behandelde jou volgens mijn slechte natuur. Handel nu met
mij overeenkomstig jouw edele natuur!"
Bij deze woorden wierp Noereddin het zwaard weg en zei: "Vorst van
alle gelovigen, ik spaar deze slimmerik!"
De kalief antwoordde: "Zoals je wilt! En aanstonds liet hij er op
volgen:"Maszoer, sla jij dan de ellendeling het hoofd af!"
Maszroer voerde het bevel met één slag van zijn zwaard uit. Opnieuw
wendde de kalief zich tot Noereddin: "En nu mag je mij vragen wat je maar
wilt."
Noereddin zei: "Ik wens geen sultanaat van Baszrah. Ik vraag alleen
in uw omgeving te mogen blijven en het geluk te hebben uw gelaatstrekken
dagelijks te mogen aanschouwen"
"Dit worde je van ganser harte toegestaan" antwoordde de kalief.
Daarna liet hij de mooie Perzische halen en wees het paar, dat hij
rijkelijk met geschenken over- laadde, één van zijn prachtigste paleizen
als woning aan. Hij eindigde met sultan Mohammed te vergeven en hem weer
in zijn waardigheid te herstellen, met de waarschuwing voortaan beter op
zijn viziers te letten.
Noereddin bleef tot aan zijn dood de vertrouwde vriend en dienaar van de
kalief...
"Maar o
koning," vervolgde Scheherezade, "denk niet dat deze
geschiedenis even mooi is als die van prins Kamr Essarnan en Bedoer. Sta
mij toe dat ik u die de komende nacht vertel."
|