|
De
koopman en de geest
Scheherezade
verteld:
Men beweert, o
wijze koning, dat er eens een rijke man leefde, die vele goederen, vrouwen
en kinderen bezat en met vele landen zaken deed. Op een keer besteeg hij
een rijdier en reisde, van voldoende leeftocht voorzien, vele dagen en
nachten. Allah had hem een gelukkige reis beschoren; hij bereikte het land
zijner bestemming, deed zijn zaken af en ving de terugreis aan. Op de
derde of vierde dag kreeg hij het zeer warm en zag in een oase een tuin
voor zich liggen, waarin hij schaduw hoopte te vinden.
Hij ging onder een
notenboom bij een bron zitten, nam wat beschuit en dadels uit zijn reistas
en gooide de dadelpitten rechts en links om zich heen in de hoop dat deze
wortel zouden schieten en uit zouden groeien tot hoge vruchtdragende
bomen.
Toen hij genoeg gegeten had, nam hij een bad in de poel en zei zijn
gebeden. Nauwelijks was hij daarmee gereed, of er kwam een oude enorme
geest op hem af, wiens voeten op de aarde stonden en wiens hoofd in de
wolken reikte. De geest had een ontbloot zwaard in de hand, bleef voor de
koopman staan en schreeuwde. "Ik zal je doden omdat je mijn kind
gedood hebt!"
De koopman riep ontzet uit: "Om welke misdaad wilt u mij doden,
Heer?"
De geest antwoordde: "Omdat je mijn zoon gedood hebt, zeg ik
je!"
Daarop sprak de koopman: "Ik? Dat heb ik, bij Allah, niet gedaan! Hoe
en wanneer zou ik hem dan gedood moeten hebben?"
Toen zei de geest: "Heb je hier soms niet gezeten en links en rechts
met dadelpitten gegooid? Welnu, op die manier heb je mijn zoon gedood die
juist voorbij kwam toen een pit hem raakte. En zegt niet de wet: wie doodt
zal gedood worden?"
De koopman antwoordde: "Mijn lichaam en geest behoor
Allah toe, buiten hem is geen macht en bescherming. Als ik werkelijk uw
kind heb gedood, heb ik dat bij ongeluk gedaan en dan moet u het mij
vergeven."
Maar de geest zei: "Niets daarvan, je moet sterven."
Hij greep hem vast, legde hem op de grond neer en hief het zwaard op om
hem te onthoofden. Toen begon de koopman om zijn vrouwen en kinderen te
roepen en hij vergoot zoveel tranen dat zijn kleren er nat van werden.
"Alleen bij de verheven Heer Allah bestaat macht en bescherming"
riep hij uit en begon te bidden. De geest liet hem zijn gebed beëindigen
en zei toen nogmaals: "Nu ga ik je ombrengen"
Waarop de koopman smekend vroeg of er geen andere uitweg mogelijk was. De
geest antwoordde ontkennend en hief het zwaard al weer op...
Intussen had Scheherezade gemerkt dat de dag aangebroken was en zij hield
op met vertellen. De koning gloeide van verlangen om de rest te horen en
ook Dinarazade zei tot haar zuster: "Hoe fantastisch is het wat je
ons daar allemaal vertelde!"
Scheherezade antwoordde: "0, dat is nog niets bij wat ik de volgende
nacht vertellen zal, wanneer de koning mij laat leven."
Toen zei de
koning: "Bij Allah, ik zal je niet laten doden voor ik de rest
gehoord heb; de daarop volgende ochtend zul je dan pas hoeven te
sterven."
En daar het al licht was stond hij op en behandelde zijn regeringszaken.
De vizier, de vader van Scheherezade, verwonderde zich zeer dat de koning
tot de avond bleef werken en zo goed geluimd was. Die nacht ging de koning
weer met Scheherezade naar bed en toen hij zich bevredigd voelde, stelde
hij voor nog wat te gaan rusten, maar Dinarazade zei tot haar zuster:
"Toe, ik smeek je, als je niet slaapt, vertel ons dan weer wat, zodat
we de tijd tot aan ons afscheid tenminste aangenaam kunnen door-
brengen."
De koning stemde daarmee in, maar verzocht eerst het slot van de
geschiedenis van de koopman en de geest te horen. Scheherezade bedankte
hem en vervolgde haar verhaal van de vorige nacht: Toen dan de geest het
zwaard ophief om de koopman te doden, zei deze: "Ach, machtige geest,
wilt u mij dan heus doden?"
De geest zei dat hij dit beslist van plan was en daarop vervolgde de
koopman: "Wilt u mij dan tenminste de tijd laten om afscheid van mijn
vrouwen en kinderen te nemen en mijn testament te maken? Als dat gebeurd
is zal ik terugkomen en dan kunt u mij doden."
De geest antwoordde: In dat geval ben ik bang dat je niet meer terugkomt!
Maar de koopman bezwoer hem: "Ik roep de Heer van hemel en aarde tot
getuige dat ik bij u terugkom."
"Hoe lang heb je nodig?" vroeg de geest.
"Een jaar, was het antwoord, het kost mij een jaar om van allen
afscheid te nemen en mijn goederen te verdelen. Begin volgend jaar kom ik
terug."
Tenslotte vroeg de geest nog: "Staat Allah borg voor je
terugkeer?"
En de koopman antwoordde: "Allah staat borg voor mijn woorden!"
Nadat de geest hem had losgelaten, besteeg hij zijn rijdier en reisde met
bedroefd hart aan één stuk door naar zijn geboorteplaats. Toen hij zijn
vrouwen en kinderen zag werd hij wanhopig en begon hevig te wenen. Zijn
eerste vrouw vroeg hem waarom hij zo huilde, terwijl ieder zich verheugde
over zijn thuiskomst.
"Hoe zou ik niet jammeren," antwoordde hij, "daar ik nog
maar precies een jaar heb om te leven!"
En hij vertelde alles wat hem overkomen was en welke eed hij gezworen had.
Toen weenden zij allen; de vrouwen trokken zich de haren uit, de dochters
jammerden en de zonen weeklaagden luid. De volgende dag reeds begon hij
zijn testament te maken; hij betaalde zijn schulden, gaf de armen en de
minder bedeelden grote aalmoezen en liet vertellers komen om de Koran voor
hem te lezen. Toen ontbood hij de gerechtsdienaren, schonk zijn slaven een
som geld en de vrijheid en trof verder de nog nodige schikkingen voor
vrouwen en kinderen. Door dit alles ging het jaar vlug voorbij en brak de
dag aan dat hij weer op reis moest. Hij baadde zich, zei zijn gebeden,
deed zijn doodskleed aan en nam afscheid van zijn gezin.
Geheel in tranen sprak hij: "Dit is een besluit van Allah, dat zijn
wil dus geschiede. De mens is enkel maar voor de dood geschapen."
Hij omhelsde allen en begaf zich op reis, zonder te rusten. Hij kwam in de
tuin aan, precies nadat er een jaar verstreken was. Hij ging op dezelfde
plaats zitten waar hij de dadels had gegeten en wachtte met beklemd hart
en wenend de geest af. Terwijl hij daar zo zat, kwam er een oude man op
hem af, met een gazelle aan een ketting, en groette de koopman.
De koopman
groette terug en de oude man vroeg hem wat hij hier kwam doen in dit oord
van geesten en duivelskinderen, want deze tuin wemelde van demonen. De
koopman vertelde hem alles van a tot z. De oude verwonderde zich zeer toen
hij hoorde dat de koopman hier op zijn dood wachtte en zei: "Ge moet
wel een bijzonder eerlijk man zijn."
Daarop ging hij naast hem zitten en vervolgde: "Ik ga niet weg, voor
ik zie hoe het afloopt met die geest."
Ze bleven dus bij elkaar en kortten samen de tijd met het vertellen van
hun belevenissen in hun leven.
Scheherezade merkte dat de dag nabij was en hield op met vertellen. Haar
zuster zei tot haar: "Hoe wonderlijk was dat allemaal!"
Scheherezade antwoordde: "Ik zal de volgende nacht nog veel meer
moois en wonderlijks vertellen, wanneer de koning mij laat leven."
En de volgende nacht zei Dinarazade tot haar zuster: "Ik smeek je bij
Allah, zuster, als je niet slaapt, vertel ons dan weer één van je mooie
verhalen."
Ook de koning drong aan: "Ja, vertel verder van de koopman en de
geest."
"Het zal mij een eer en een vreugde zijn" antwoordde
Scheherezade en zij ging aldus verder: "Terwijl de koopman daar zo
zat te praten met de eigenaar van de gazelle, kwam er een oude man bij hen
met twee wolfshonden. Hij vroeg de beide mannen waarom zij daar zaten en
de oude man met de gazelle vertelde hem de geschiedenis van de koopman en
diens eed.
"Ik kwam hier toevallig langs," voegde hij er aan toe,
"maar ik ga niet verder voordat ik heb gezien hoe het afloopt met hem
en de geest."
De eigenaar van de twee honden verwonderde zich er evenzeer over dat de
koop- man zijn belofte zo trouw nagekomen was en zei: "In dat geval
verlaat ik evenmin deze plaats voor ik weet wat er zich tussen de geest en
de koopman zal afspelen" Terwijl zij nog aan het praten waren kwam er
een derde oude man aan met een nietig, mager muildier. Na de beide vorige
mannen gegroet te hebben vroeg hij: "Wat voeren jullie hier uit en
waarom is de koopman zo terneergeslagen?"
De beide ouden vertelden hem de geschiedenis en zeiden dat zij bleven
wachten om te zien wat er met de koop- man en de geest zou gebeuren.
Daarop besloot de derde oude: "Bij Allah, dan wil ik hier ook niet
vandaan, eer ik zie hoe dit afloopt. Hij ging bij hen zitten en nam deel
aan het gesprek.
Op dat ogenblik kwam er een grote stofwolk over de woestijn aan die
stilhield boven de tuin, de geest sprong er uit te voorschijn en kwam
zonder te groeten op de mannen af. Tot de koopman sprak hij: "Sta op,
zodat ik je kan doden!"
De koopman begon te wenen en de drie ouden jammerden luid met hem mee...
Scheherezade bemerkte dat de dag begon aan te breken en zweeg. Dinarazade
zei tot haar: "Hoe fantastisch is ook dit verhaal, o zuster!"
Scheherezade antwoordde: Maar het is nog niets in vergelijking met wat ik
de volgende nacht zal vertellen, wanneer de koning mij toestaat te blijven
leven. De koning popelde om te horen hoe het verhaal verder zou gaan en
hij besloot haar niet te laten ombrengen voor hij ook de rest van de
geschiedenis had gehoord. Daarop verdiepte hij zich in regeringszaken, die
hem tot de avond in beslag namen. Toen bracht hij wederom een liefdesnacht
met Scheherezade door, maar nauwelijks waren zij tot rust gekomen of
Dinarazade zei tot haar zuster: Als je wat uit- gerust bent, vertel ons
dan weer één van je verhalen om de rest van de nacht door te komen.
Scheherezade vroeg toestemming aan de koning en verkreeg deze, en
vervolgde haar verhaal. Toen de geest dan op het punt stond om de koopman
te doden, liep de oude man van de gazelle op hem toe, kuste hem de handen
en voeten en sprak aldus "0 gij gekroonde onder de geesten, als ik u
vertel wat mij met deze gazelle is overkomen en u mijn verhaal nog
vreemder vindt dan wat u met de koopman is overkomen, wilt u hem dan om
mijnentwil een derde deel van zijn schuld kwijtschelden?"
De geest antwoordde: "Dat zal ik zeker doen en de oude vertelde het
volgende verhaal."
|