Scheherezade

 

"In naam van de genadige Heer Allah, vrede en heil zij onze Heer Mohammed, alsook zijn familie en vrienden; vrede en heil tot aan de dag des gerichts. Amen! Het leven van hen die gingen is een les voor degenen die na hen komen. Het is goed dat de mens zich spiegele aan de ervaringen van het voorgeslacht. Geloofd zij Allah, die deze ervaringen tot lering heeft gesteld voor het nageslacht. Daartoe nu behoren ook de vertellingen die Duizend en één Nacht genoemd worden en waarin verslag wordt uitgebracht van wat vroegere volken overkomen is. - Allah, de Alwijze en Barmhartige kent immers het verborgene!"

In oeroude tijden regeerde eens een koning der Perzen over China en de eilanden van Indië. Hij had een talrijk gevolg en een sterk leger en hij bezat vele bondgenoten. Van zijn twee zonen was de oudste de dapperste en deze heerste, evenals zijn vader, over vele landen en had de naam rechtvaardig te zijn. Hij heette Scheherban. Zijn jongere broeder die Schahzeman heette, was koning van Samarkand. leder van hen regeerde, twintig jaar lang, gelukkig in eigen land. Toen gebeurde het dat de oudste naar zijn jongere broeder verlangde en hem door zijn vizier liet ontbieden. Schahzeman maakte zich reisvaardig, na de regering aan zijn vizier over- gedragen te hebben en vertrok. Te middernacht schoot het hem te binnen dat hij iets vergeten had in zijn paleis en toen hij daarin terugkeerde, betrapte hij zijn vrouw met een zwarte slaaf in bed. 
De zwarte slaaf was zojuist met zijn grote donkergekleurde stang haar heiligdom binnengedrongen en beiden hadden in vervoering zijn ogen gesloten, zodat ze Schahzeman niet zagen binnenkomen. Het werd hem, Schahzeman, zowel letterlijk als figuurlijk zwart voor ogen en hij dacht: "als ze mij nu reeds ontrouw is, wat zal er gebeuren wanneer ik goed en wel op weg ben?"

Hij doorboorde in wilde woede hen beiden met zijn zwaard en reisde voor de tweede maal af. 
Hij had zijn komst vooraf gemeld en zo vond hij de hoofdstad van zijn broeders rijk feestelijk verlicht en versierd. De broeders begroetten elkaar hartelijk, maar tijdens het banket dwaalden de gedachten van Schahzeman weer af naar het gebeurde met zijn gemalin, hij ergerde zich zozeer dat hij er bleek en slecht ging uitzien. Zijn broer merkte dit wel, maar dacht dat heimwee de oorzaak er van was en zweeg er over. Toen er na enkele dagen geen verandering intrad, zei hij: "Broer, ik zie je iedere dag bleker en zwakker worden, wat scheelt je?" 
"Ik heb een inwendige ziekte" antwoordde Schahzeman ontwijkend. 
Hierop zei de ander: "Ga eens mee jagen, dat zal je afleiden." Schahzeman echter weigerde en liet zijn broer alleen op jacht gaan. Terwijl hij door één van de vensters in de paleistuin keek, zag hij twintig slaven met twintig slavinnen te voorschijn komen, die de mooie vrouw van zijn broer omringden. Bij een vijver ontkleedden de slavinnen zich en gaven zich met de slaven aan het minnespel over. Toen riep de koningin "Mazoed!" en er kwam een zwarte slaaf die zich bij haar vervoegde.

Aanstonds begonnen ze elkaar hartstochtelijk te omhelzen. De groep bij de vijver bracht de hele dag door in een roes van zingenot en Schahzeman die dit aanzag dacht bij zichzelf: dit is nóg erger dan wat mij overkwam! Zijn ergernis en smart weken en hij kon weer eten en drinken. 
Toen koning Scheherban van de jacht terugkeerde, zag hij dat zijn broer weer eetlust had en er goed uitzag en hij zei tot hem: "Hoe komt het dat je nu weer beter bent?" 
Schahzernan antwoordde: "Dat zal ik je vertellen. Onderweg op reis hierheen herinnerde ik mij iets vergeten te hebben in het paleis. Ik keerde terug en betrapte ik mijn vrouw in bed met een zwarte slaaf. Ik doodde ze beiden en reisde opnieuw af, maar ik kon niet ophouden aan het voorval te denken. Daarom ging ik er zo slecht uitzien, maar vraag mij liever niet, waarom ik er nu weer goed uitzie."
Scheherban werd nieuwsgierig en zei: "Ik bezweer je bij Allah, vertel mij alles." 
Toen vertelde Schahzeman hem alles wat hij in de tuin gezien had en Scheherban zei: "Ik wil het met eigen ogen zien." 
Schahzernan zei: "Wend voor dat je weer op jacht gaat, maar stel je in werkelijkheid verdekt op en dan kun je je overtuigen dat ik de waarheid sprak." 

De koning liet bekend maken dat hij voor enige tijd op jacht ging. Hij maakte in het openbaar alle voorbereidselen en vertrok uit de stad, om daar echter heimelijk in terug te keren. Samen met zijn broeder stelde hij zich verdekt op voor het venster dat op de paleistuin uitkeek. Inderdaad verschenen daar weer de slavinnen en slaven in gezelschap van de koningin en alles speelde zich af als tevoren, tot aan de tijd van het avondgebed. Toen Scheherban dit zag raakte hij buiten zichzelf van woede en zei tot Schahzeman: "Kom, laten we hier vandaan gaan. We zullen het regeren staken, totdat we iemand gevonden hebben die hetzelfde is overkomen als ons. Indien we zo iemand niet vinden, dan kunnen we beter sterven dan leven."

Door een verborgen deur slopen zij weg en reisden dag en nacht, tot zij bij een open vlakte kwamen, waar een rivier uitmondde in zee. Zij verfristen zich en gingen wat rusten. Na een poos begon de zee onrustig te worden; een zwarte zuil steeg op aan de horizon en bewoog zich in de richting van de vlakte. Ontzet vluchtten de beide mannen in een boom en wachtten af wat er zou gebeuren. De zuil bleek één van de geesten te zijn van Salim, het hoofd aller geesten. Hij was lang van gestalte en breed van borst. Op zijn enorme hoofd torste hij een glazen kast met vier sloten van koper. Hij ging zitten onder de boom waarin de beide mannen hun toevlucht hadden gezocht, zette de kast neer, opende de sloten en haalde er een beeldschoon meisje uit te voorschijn. Hij zei tot haar: "0 meesteres van alle vrije vrouwen, die ik ontvoerd heb voor iemand haar kende. 0 geliefde mijns harten, laat mij wat slapen in uw schoot!" 
Hierop sliep hij in met het hoofd op haar knieën en snurkte dat het een lust was. Het meisje verveelde zich wat en keek per toeval naar boven en ontwaarde de beide broeders. Voorzichtig legde zij het hoofd van de geest terzijde en wenkte de mannen naar beneden te komen. Maar die durfden niet en ze zeiden: "Bij uw leven, verontschuldig ons dat wij niet komen." 
Daarop antwoordde zij 'Als jullie niet komen, maak ik de geest wakker en dan eet hij jullie op." Dit was voor hen voldoende reden om zich naar beneden te haasten. Toen eiste het meisje dat beiden haar zouden beminnen.

Maar zij schrokken en zeiden "Bij Allah, wij zijn te bang voor deze geest, zie dat onze erectie wegblijft!" 
Het meisje drong echter aan: "Als jullie mij niet hier en nu liefhebben, maak ik, bij Allah, de geest wakker." 
Toen deden de broeders uit alle macht wat zij verlangde en na afloop van het minnespel haalde zij een buidel te voorschijn, nam er achtennegentig zegelringen uit en zei: "Die zijn van achtennegentig mannen afkomstig die met mij naar bed zijn geweest. Geef mij nu jullie ringen, dan heb ik er honderd, die mij hielpen deze lelijke geest te bedriegen, want hij heeft mij opgesloten in een glazen kast en laat mij in de zee wonen opdat ik deugdzaam zal blijven. Dit monster weet niet dat het lot zich niet laat veranderen en dat een onafhankelijke vrouw haar gunsten schenkt aan wie ze wil." 
Toen zeiden de beide koningen verwonderd: "Er is geen bescherming en macht dan alleen bij Allah! Wij willen daarom hulp bij Allah zoeken tegen de list der vrouwen!" 
Daarop antwoordde het meisje onverschillig: "Ga waarheen jullie wilt!" 
Terwijl zij zich weer op pad begaven, zei Scheherban: "Dit avontuur is van nog meer betekenis dan wat ons tevoren overkomen is. Hier heb je een geest die een meisje roofde, haar opsloot in een glazen kast en haar in de zee liet wonen om haar aan haar bestemming van vrouw te ontrukken. Desondanks gelukte het haar hem honderdmaal ontrouw te zijn. Laat ons daarom getroost naar ons land terugkeren, maar ons er wel voor wachten weer in het huwelijk te treden en ons daardoor aan één vrouw te binden. Ik zal je wel laten zien wat ik van plan ben te doen."

Zij keerden naar het land van de oudste broer terug en trokken op de derde dag de hoofdstad weer binnen, hartelijk verwelkomd door vazallen, edelen en dienaren. De oudste broer ging naar zijn paleis, ontbood zijn vizier en gaf hem het bevel onmiddellijk zijn gemalin te doden, hetgeen geschiedde. Zelf doodde hij zijn bijvrouwen een voor een met het zwaard en daarna liet hij bekend maken dat hij voor iedere nacht een andere vrouw zou kiezen, die dan de ochtend daarop terechtgesteld zou worden, omdat er op de ganse aarde geen deugdzame vrouw te vinden was. Hierop keerde de jongste broer naar zijn eigen land terug. Intussen beval koning Scheherban zijn vizier, hem de vrouw voor de nacht te brengen. De vizier leidde tot hem de dochter van één zijner vazallen; de koning bracht de nacht in vurig minnespel met haar door, maar de volgende dag liet hij haar onthoofden. De volgende nacht bracht de vizier hem weer een andere dochter van één der groten des lands en ook haar liet hij onthoofden.

Zo ging dat elke dag door, tot er ten laatste geen meisje meer over was en de ouders weenden en zuchtten en de koning wreed vervloekten. Nu wil de geschiedenis dat de grootvizier zelf twee dochters had. De oudste heette Scheherezade en de jongste Dinarazade. De eerste had vele boeken gelezen en daaruit veel wijsheid opgestoken, onder meer over de geneeskunde. Ook had zij gedichten uit haar hoofd geleerd en daarnaast kende zij de sagen en legenden van vele volken en belangrijke uitspraken van geleerden en vorsten. Op een dag zei Scheherezade tot haar vader: "Ik wens met de koning te trouwen om de wereld van zijn moordlust te verlossen. Lukt mij dit niet, dan ben ik bereid zelf te sterven." 
Haar vader antwoordde: "Je weet toch dat de koning gezworen heeft, iedere morgen de vrouw, die de nacht met hem doorgebracht heeft, te zullen doden?" 
Ze zei dat het haar niets kon schelen, waarop de vizier toornig uitriep. "Dan ben ik bang dat het je net zo zal vergaan als de os en de ezel met de boer." 
Toen vroeg zij " Wat is dat voor een geschiedenis?" en hij begon te vertellen.

"Er was eens een rijke landheer, die een groot gezin en vele goederen bezat en die bovendien de taal der dieren verstond. De hemel had echter bevolen dat hij zou moeten sterven, zodra hij dit geheim aan iemand zou openbaren. Nu waren er onder zijn dak een os en een ezel, met elkaar aan dezelfde voederkribbe gebonden. Op een keer, toen hij dicht in de buurt van de beide dieren zat, hoorde hij de os tot de ezel zeggen: jij hebt maar geluk dat men jou zoveel rust gunt en je lekker eten en drinken voorzet, terwijl men mij, arme, wegleidt en op het veld laat werken met een juk en een ploeg. Mijn flanken worden geschaafd en het vel wordt van mijn nek geschuurd. Men laat mij werken van de ochtend tot de avond en als dank werpt men mij in de schuur bonen en afval toe. jij staat de hele dag rustig in de stal en werkt alleen maar wanneer onze Heer eens op je rijdt. Toen de os met klagen ophield, zei de ezel: Domkop die je bent, weet je dan niet dat wie naar geen raad wil luisteren, de weg niet kan vinden? Hoor eens, jij os, als de boer je in wil spannen, trap en stoot en loei dan net zo lang, tot hij je met rust laat en je de bonen zonder meer toewerpt. Weiger daarvan te eten en dan zul je eens zien hoe goed men je gaat behandelen! De os bedankte de ezel met de woorden: Dat je voor alle rampen bewaard mag blijven, o vader van alle wijzen! Vergeet niet, mijn dochter, dat de landheer dit allemaal verstond. Toen nu de volgende dag de boer kwam om de os in te spannen, volgde deze de raad van de ezel op. Wat de boer ook deed, de os weigerde te werken. De boer ging met hem naar het huis terug en bond hem aan de voederbak, maar de os weigerde te eten van de bonen, hij kauwde alleen wat kaf en stro uit protest."

"De boer dacht dat de os ziek was, ging naar zijn landheer en zei: De os is ziek Heer en heeft vannacht niets gegeten. Maar de landheer die immers van alles op de hoogte was, zei: Span de ezel in en dwing hem te werken in plaats van de os. De boer spande de ezel in en sloeg hem net zo lang tot hij werkte, zodat het beest 's avonds geen poot meer kon verzetten. De os daarentegen had lekker kunnen rusten, had de bak leeg- gegeten en voor de ezel gebeden. Toen hij de ezel terugzag, dankte hij hem voor de uitnemende raad die hij van hem gekregen had, maar van woede gaf de ezel geen antwoord, want hij begreep dat het zijn eigen schuld was en dat hij te gronde zou gaan wanneer hij niet de een of andere list verzon. De os ging liggen herkauwen en wenste de ezel alle goeds..."

Hij vervolgde "Neem deze les ter harte dochter en stort jezelf niet in het verderf." Scheherezade echter antwoordde: "Ik wil met de koning trouwen." 
Haar vader zei: "Dan zal het je vergaan als de landheer met zijn vrouw." 
"Hoe verging het hem dan?" vroeg zij en haar vader vertelde "Nu dan, na het gebeurde met de os en de ezel, ging de landheer eens op een nacht de stal weer binnen en hoorde de ezel tegen de os zeggen: Vriend os, wat denk je nu morgen te doen?" 
Waarop de os antwoordde: "Weer precies wat je mij gezegd hebt." 
Toen zei de ezel hoofdschuddend: "Weet je wat ik de landheer tegen zijn boer heb horen zeggen? Dat hij je morgen zal laten slachten, als je je voer niet eet en je dan zal laten villen. Volg dus mijn goede raad en eet alles op wat je voorgezet krijgt" 
De os huilde van woede en teleurstelling. De landheer verwijderde zich even ongemerkt als hij gekomen was en, weer buiten, lachte hij. Zijn vrouw vroeg hem waarom hij lachte, maar hij zei dat hij haar dit niet mocht vertellen. "Als ik je zou verklappen wat de dieren onderling bepraten, dan ben ik bang dat mij een ongeluk overkomt" zei hij. 
Waarop zijn vrouw boos uitriep: "Bij Allah, wat is dat voor een onzinnige uitvlucht. Vertel mij wat je hebt gehoord, anders loop ik bij je weg."

Daarop ging zij het huis binnen, weende en hield bij hem aan: "Al zal je er ook aan sterven, ik moet het weten." 
Toen zei hij: "Goed, maar eerst zal ik je familie er bij halen." 
Hij haalde haar vader en haar verwanten en vertelde hun dat zijn dood nabij was. Zij weenden allen en begonnen tekenen van rouw aan te nemen. Vervolgens liet hij gerechtsdienaren en getuigen komen, maakte een testament voor zijn vrouw en kinderen en nam afscheid van hen. 
Zijn kinderen probeerden hun moeder van haar voornemen om het geheim te weten te komen, af te brengen, maar zij liet zich niet vermurwen, zodat allen begonnen te wenen, tot de getuigen toe. Nu waren er in dat huis, lieve Scheherezade, vijftig kippen en een haan. Toen de landheer zich even alleen teruggetrokken had om te treuren over zijn aanstaande scheiding van vrouw en kinderen, hoorde hij zijn hond bestraffend spreken tot de haan, die verliefd klapwiekend bezig was een kip te bespringen: Schaam je je niet, haan, voor je meester, dat je je vandaag zo schandelijk laat gaan? De haan vroeg wat er dan aan de hand was en de hond antwoordde: "Weet je niet, dat je meester zo treurig is omdat zijn vrouw met alle geweld een geheim wil weten, waardoor hij dadelijk sterven moet? Het gaat er namelijk om, dat hij haar de taal van ons dieren moet verklaren en jij staat maar ontuchtig met je vleugels te klapwieken en hebt plezier. Schaam je! "
Toen hoorde de koopman hoe de haan antwoordde: "Wat een domkop is onze meester. Heeft hij dan zo weinig verstand van vrouwen? Ik heb vijftig kippen en bevredig ze allemaal. Hij bezit maar één vrouw en weet hij het met haar dan niet klaar te spelen? Hij moet een eikehouten stok nemen, met haar in zijn kamer gaan, de deur sluiten en haar zodanig afranselen tot ze uitroept dat ze geen verklaring meer wil horen. Als hij dat doet, blijft hij leven en heeft hij zijn rust."

Toen de koopman dit hoorde, stond hij vlug op, nam een eikehouten stok, leidde zijn vrouw naar zijn kamer, grendelde de deur onder het voorwendsel dat hij haar de gevraagde uitleg wilde geven. Toen liet hij het slagen regenen op haar rug, schouders en billen zodat zij om hulp riep en beloofde: "Ik zal je nergens meer om vragen." 
Eindelijk liet hij zijn vrouw gaan, nadat zij haar grote spijt betuigd had en zo werd door de goede raad van de haan de droefheid in vreugde veranderd. Op dezelfde manier, mijn dochter, zal ik jou de les lezen, als je niet van je voornemen afziet." 
Zij echter antwoordde: "Nooit zal ik er van afzien en als u mij niet bij de koning brengt, ga ik zelf naar hem toe en klaag u bij hem aan, dat u hem een meisje als ik ben, onthouden wilt."

Nadat de vizier alles geprobeerd had om zijn dochter van haar voornemen af te brengen, zonder dat het hem lukte, ging hij naar koning Scheherban, boog zich voorover op zijn knieen en kuste de grond voor hem en zei dat hij hem de eerstvolgende nacht zijn dochter zou brengen. De koning vroeg uiterst verwonderd: "Hoor ik het goed? Weet je dan niet dat ik bij de hemel gezworen heb, dat jij zelf haar de volgende morgen zult moeten om- brengen? Als je mijn bevel niet opvolgt, zal ik jou moeten laten doden." 
De vizier antwoordde: "Zij heeft het zelf gewenst, o koning. Zij wilde niet naar goede raad luisteren, maar nog deze nacht bij u zijn." De koning zei: "Goed, breng haar dan deze nacht hier" De vizier ging naar zijn dochter en sprak: "God geve, dat ik niet naar je terugverlang!" Scheherezade was zeer verheugd, ging naar haar jongere zuster Dinarazade en zei: "Luister, zodra ik bij de sultan ben, zal ik jou laten halen. Als je dan ziet dat hij door mij bevredigd is, zeg dan tegen mij: "0 zuster, als je niet slaapt, vertel ons dan één van je mooie verhalen!" 
"Dit zal mijn redding en die van de wereld zijn en de koning van zijn goddeloze en vreselijke gewoonte afbrengen."

Dinarazade stemde toe en toen de nacht aanbrak ging Scheherezade naar de koning. Deze ontving haar teder en begon met haar te minnekozen, maar zij huilde. Toen hij haar naar de reden vroeg, antwoordde zij: "Ik heb een zuster van wie ik zo graag afscheid zou willen nemen." 
De koning liet Dinarazade halen. Deze wachtte tot de koning naar hartelust van Scheherezade genoten had en, ten volle bevredigd, wilde gaan slapen. Toen zuchtte ze en zei tot haar zuster: "Toe, vertel ons één van je mooie verhalen, dan kunnen wij de rest van de nacht doorwaken en zal ik je tegen het aanbreken van de dag vaarwel zeggen." 
Scheherezade vroeg en kreeg vergunning van de koning en begon uiterst verheugd aan haar verhaal over de koopman en de geest.